Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Amerikaanse havik

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves

Amerikaanse havik | Astur atricapillus

American Goshawk | Gavilán azor

De Amerikaanse havik is de grootste havik van Noord-Amerika: een forse, blauwgrijze bosroofvogel met een donkere kap en een brede witte wenkbrauwstreep. Hij jaagt in het bos op eekhoorns, hazen en vogels tot de grootte van hoenders. In het gidsgebied is hij een schaarse standvogel van de hoog gelegen pijn-eikenbossen en naaldbossen in het noordwesten van Mexico. De soort werd vroeger met de havik van Europa en Azië tot één soort gerekend.

Amerikaanse havik (Astur atricapillus)
Foto: Gillfoto from Juneau, Alaska, United States — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Rond het nest een luid, hard en hees kak-kak-kak-kak, vooral bij verstoring; vrouwtjes en jonge vogels roepen ook een klagend kie-ah. Buiten het broedseizoen stil.

Luister: OpnameiNaturalist

Opname: Katie and Ethan — CC BY-NC 4.0 · omgezet naar mono · iNaturalist

Herkenning

46–64 cm. Volwassen vogels zijn leigrijs van boven, met een zwartachtige kruin en oogstreep en een brede witte wenkbrauwstreep. De onderdelen zijn lichtgrijs met zeer fijne, dichte grijze bandjes en donkere schachtstreepjes; de onderstaartdekveren zijn wit en donzig. De ogen zijn oranjerood tot rood bij volwassen vogels en geel bij jonge. De staart is lang, met vage donkere banden. Jonge vogels zijn bruin van boven en roomkleurig van onderen met dikke donkere lengtestrepen tot op de onderstaartdekveren, een lichte wenkbrauwstreep en een onregelmatig gebandeerde staart. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk; het vrouwtje is duidelijk groter.

Verwarrings­soorten

De coopers sperwer Astur cooperii is kleiner, met een donkere kap zonder witte wenkbrauwstreep, bij volwassen vogels oranjerood gebandeerde onderdelen en een staart met een brede witte eindrand; jonge coopers sperwers hebben fijnere strepen en een witte onderstaart. Jonge buizerds zoals de roodschouderbuizerd Buteo lineatus en de grijze buizerd Buteo plagiatus hebben langere vleugels en een kortere staart, en zweven meer.

Leefgebied

Hoog gelegen pijn-eikenbos en naaldbos met oude bomen, meestal boven 2000 m, en plaatselijk oeverbos in berggebied; in de winter soms lager. Broedt in een groot takkennest in een oude boom. Jaagt laag onder het bladerdak, vanaf een zitpost of in snelle achtervolging.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Alleen in Mexico. Standvogel in de Sierra Madre Occidental, van Sonora en Chihuahua zuidwaarts via Sinaloa en Durango tot Zacatecas en Jalisco; schaars ook in de bergen van Coahuila en Nuevo León. In de winter worden enkele vogels elders in het noorden gezien. Buiten het gidsgebied in de bossen van Alaska, Canada en het westen en noordoosten van de Verenigde Staten.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De hoog gelegen pijn-eikenbossen van de Sierra Madre Occidental in Chihuahua en Durango bieden de beste kans. In het voorjaar baltsen paren boven het bos met langzame, diepe vleugelslagen en uitgespreide witte onderstaartdekveren.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In Mexico gevoelig voor de kap van oude naaldbossen in de Sierra Madre Occidental.

Wetenschappelijke naam

Astur atricapillus | (Wilson, 1812) (GBIF: Falco atricapillus)

Wilson beschreef de soort in 1812 als Falco atricapillus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Astur werd in 1799 ingevoerd door De Lacépède. Astur is laat-Latijn voor 'havik'. atricapillus is Latijn, van ater 'zwart' en capillus 'haar', naar de zwartachtige kruin. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Philadelphia, Pennsylvania, VS.