Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Amerikaanse oeverloper
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae
Amerikaanse oeverloper | Actitis macularius
Spotted Sandpiper | Andarríos maculado
De Amerikaanse oeverloper is een kleine steltloper die vrijwel voortdurend met het achterlijf op en neer wipt. In het gidsgebied is hij een wintergast en doortrekker uit Noord-Amerika, verspreid langs bijna elk soort water, van rotsige beekjes in de bergen tot mangroveranden en havenkades. Meestal foerageren de vogels alleen.
Geluid
Een helder, dalend pie-wiet of een reeks wiet-wiet-wiet, meestal bij het opvliegen; ook een zacht piet vanaf de grond.
Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
18–20 cm, gedrongen, met een vrij korte hals, een korte rechte snavel en korte, geelachtige tot vleeskleurige poten. In het winterkleed, dat in het gidsgebied het meest te zien is, effen grijsbruin van boven en wit van onder, met een grijsbruine vlek aan de borstzijden en een witte inham tussen borstvlek en vleugel; een lichte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep. In het voorjaar krijgen veel vogels het broedkleed, met ronde zwarte vlekken op de witte onderdelen en een oranje snavel met donkere punt. Jonge vogels hebben fijn gebandeerde vleugeldekveren. Vliegt laag over het water met korte, trillende slagen afgewisseld met glijvluchten, en toont dan een smalle witte vleugelstreep.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse bosruiter Tringa solitaria is langerpotig en slanker, heeft een witte oogring, licht gestippelde bovendelen, een donkere stuit en geen vleugelstreep; hij wipt eerder met de kop. De Amerikaanse grijze ruiter Tringa incana wipt ook, maar is groter, egaal donker leigrijs en leeft vrijwel alleen op rotskusten. Strandlopers als de kleinste strandloper Calidris minutilla wippen niet en lopen meestal in groepjes.
Leefgebied
Oevers van rivieren, beken en meren, vijvers, sloten, rijstvelden, mangrove, slikken, rotskusten en havens, van zeeniveau tot in het hooggebergte. Loopt langs de waterlijn en pikt insecten en andere kleine dieren op, vaak met een snelle uitval.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Verspreid over het hele gidsgebied, van Baja California en het noorden van Mexico tot Panama, aan beide kusten en in het binnenland. Buiten het gidsgebied broedt de soort in een groot deel van Noord-Amerika, van Alaska en Canada tot het midden van de Verenigde Staten, en overwintert zij van het zuiden van de Verenigde Staten en het Caribisch gebied tot in het noorden van Chili en Argentinië.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Bijna elke rivieroever, waterkant of kade buiten de broedtijd levert een exemplaar op; het voortdurende wippen en de lage vlucht met trillende vleugelslagen boven het water verraden de soort al van ver.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is wijdverspreid en gebruikt ook door de mens aangelegde oevers, kanalen en stuwmeren. In het broedgebied is wel een langzame afname vastgesteld.
Wetenschappelijke naam
Actitis macularius | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Tringa macularia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Actitis werd in 1811 ingevoerd door Illiger. Actitis is Grieks, van aktitēs 'kustbewoner', bij aktē 'kust'. macularius is Latijn voor 'gevlekt', naar de zwarte vlekken op de onderdelen in zomerkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pennsylvania.





