Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Amerikaanse roodstaart

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Amerikaanse roodstaart | Setophaga ruticilla

American Redstart | Chipe flameante

De Amerikaanse roodstaart is een kleine, beweeglijke zanger die vaak zijn staart en vleugels uitwaaiert en zo oranje of gele vlakken toont. Hij broedt in Noord-Amerika en is in het gidsgebied een algemene wintergast en doortrekker in bos, bosranden, mangroven en tuinen. Ondanks de naam is hij geen familie van de roodstaarten van de Oude Wereld.

Amerikaanse roodstaart (Setophaga ruticilla)
Foto: Andy Reago & Chrissy McClarren — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks hoge, ijle tonen die per mannetje varieert, vaak eindigend met een nadrukkelijke slottoon, ongeveer tsie-tsie-tsie-tsie-tswieoo; in het gidsgebied vooral in het voorjaar te horen. De roep is een scherp, wat zoet tsjip.

Luister: ZangXC1141305

Opname: Scott Olmstead — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–13 cm. Slank, met een lange, vaak uitgewaaierde staart en een vrij brede, platte snavel. Het volwassen mannetje is glanzend zwart met oranje vlekken op de borstzijden, een oranje vleugelband en oranje vlakken aan de basis van de buitenste staartpennen; de buik is wit. Het vrouwtje heeft een grijze kop, een olijfgrijze rug, witte onderdelen en gele vlakken op dezelfde plaatsen als het mannetje. Mannetjes in het eerste jaar lijken op het vrouwtje, met een oranjegele zweem op de borstzijden en soms losse zwarte veren.

Verwarrings­soorten

De roodbuikzanger Myioborus pictus en de meniezanger Myioborus miniatus waaieren ook de staart uit, maar hebben witte buitenste staartpennen en een rode of gele buik zonder oranje vlekken op vleugel en staart; ze zijn standvogels van bergbos. Vrouwtjes kunnen lijken op grijze vliegenvangers, maar het gele staartpatroon is bij de Amerikaanse roodstaart steeds te zien wanneer de staart opengaat.

Leefgebied

In de winter vochtig en droog laaglandbos, bosranden, secundair bos, oeverbos, mangroven, schaduwkoffie en tuinen met bomen, vooral in het laagland en de voetheuvels. Vangt insecten met korte vluchten en sprongen vanaf takken en bladeren, vaak in gemengde groepen met andere zangers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Broedt in een groot deel van Canada en het oosten en noordwesten van de Verenigde Staten. Overwintert in het gidsgebied van Baja California Sur en het noorden van Mexico, vooral langs beide kusten, door heel Midden-Amerika tot Panama, en verder in het Caribisch gebied en het noorden van Zuid-Amerika. Tijdens de trek in heel het gidsgebied, in het noorden van Mexico vooral als doortrekker.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter vaak in mangroven, kustbos en parken met grote bomen, waar de vogel door het uitwaaieren van de staart zelfs tussen bladeren goed te volgen is.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Wijdverbreid en talrijk, maar de broedpopulatie is sinds de jaren zestig afgenomen, onder meer door verlies van leefgebied in de broed- en overwinteringsgebieden.

Wetenschappelijke naam

Setophaga ruticilla | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla ruticilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. ruticilla is Nieuwlatijn voor 'roodstaart', van rutilus 'rood' en het verkleinende -cilla; de staart heeft oranje vlakken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Virginia, Verenigde Staten.