Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Monnikszanger

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Monnikszanger | Setophaga citrina

Hooded Warbler | Chipe encapuchado

De monnikszanger is een gele zanger van de ondergroei van bos. Het mannetje heeft een geel gezicht dat omlijst wordt door een zwarte kap en keel; beide seksen tonen witte vlekken in de staart wanneer ze die openslaan. Hij broedt in het oosten van Noord-Amerika en overwintert in het gidsgebied, vooral aan de Caribische kant.

Monnikszanger (Setophaga citrina)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een luid, helder fluitend motief dat met een nadrukkelijke slottoon eindigt, ongeveer tawie-tawie-tawie-tie-tjoo; in de winter zelden te horen. De roep is een metalig, vrij luid tsjink.

Luister: ZangXC998586

Opname: Jim Berry — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

12–14 cm. Bovendelen olijfgroen, onderdelen helder geel, ogen groot en donker. Het mannetje heeft een geel voorhoofd en gele wangen, omringd door een zwarte kap die doorloopt over kruin, nek, keel en bovenborst. Het vrouwtje heeft een geel gezicht en een donkere teugel; de kap varieert van bijna even uitgebreid als bij het mannetje tot alleen een olijfkleurige kruin. Witte vlekken op de binnenvlag van de buitenste staartpennen, zichtbaar bij het voortdurend openen en sluiten van de staart.

Verwarrings­soorten

De wilsons zanger Cardellina pusilla is kleiner, heeft geen wit in de staart en bij het mannetje alleen een zwart kapje op de kruin. De kentuckyzanger Geothlypis formosa heeft een gele bril met een zwarte bakkebaard onder het oog en mist het wit in de staart. Vrouwtjes zonder kap lijken op die van de wilsons zanger, maar zijn groter en hebben witte staartvlekken.

Leefgebied

In de winter de ondergroei van vochtig laagland- en voetheuvelbos, secundair bos, bosranden, mangroven en schaduwkoffie, vooral beneden 1000 m. Mannetjes houden zich in de winter vaker op in hoog, gesloten bos, vrouwtjes vaker in struweel en jong secundair bos. Verdedigt een eigen wintervoedselterritorium en vangt insecten laag bij de grond, vaak met korte vluchten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Broedt in het oosten van de Verenigde Staten en het uiterste zuidoosten van Canada. Overwintert in het gidsgebied vooral aan de Caribische kant, van het oosten van Mexico en het schiereiland Yucatán door Belize, Guatemala, Honduras en Nicaragua tot Costa Rica; in Panama schaars. Aan de Pacifische kant schaarser. Tijdens de trek ook in het noorden van Mexico.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op het schiereiland Yucatán en in het laagland van Belize en Guatemala geregeld in de ondergroei van bos en bosranden. Het voortdurend openwaaieren van de staart met de witte vlekken helpt bij het vinden in het halfdonker.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Wijdverbreid; de broedpopulatie is de laatste decennia stabiel tot toenemend. Kap van laaglandbos in de overwinteringsgebieden is een mogelijk knelpunt.

Wetenschappelijke naam

Setophaga citrina | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Muscicapa citrina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. citrina is Latijn voor 'citroengeel', naar het gele gezicht en de gele onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Louisiana, Verenigde Staten.