Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Bairds gors

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Bairds gors | Centronyx bairdii

Baird's Sparrow | Gorrión de Baird

De bairds gors is een kleine, okerkleurige gors van uitgestrekte, ongerepte graslanden. Hij broedt op de prairies van het noorden van de Great Plains en overwintert in de graslanden van de Chihuahuawoestijn. Buiten de broedtijd leeft hij zeer verborgen laag in het gras en is hij lastig te zien.

Bairds gors (Centronyx bairdii)
Foto: USFWS Mountain-Prairie — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

De zang begint met twee of drie hoge, zuivere tonen en eindigt in een lagere, muzikale triller. In de winter vooral een zacht, dun tsip en een korte, droge tik; de vogel is dan meestal stil.

Luister: ZangXC500305

Opname: Jacob Saucier — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm. Kop warm okerbruin met een brede okerkleurige middenkruinstreep, fijn zwart gestreepte kruinzijden en twee donkere vlekjes achter op de oorstreek. Een donkere baardstreep en een dunne snorstreep omlijsten een lichte wang. Op de borst een smalle band van fijne zwarte streepjes die doorloopt langs de flanken; keel en buik wit. Bovendelen bruin met donkere centra en brede okerkleurige randen, waardoor de rug geschubd lijkt. Staart vrij kort. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De sprinkhaangors Ammodramus savannarum heeft als volwassen vogel een ongestreepte okerkleurige borst, een grotere platte kop en een vlakker gezicht zonder donkere baardstreep. De savannahgors Passerculus sandwichensis is grover en dichter gestreept op borst en flanken, heeft vaak gele teugels en een gevorkte staart en zit vaker zichtbaar op hekken en struiken. De Botteri's gors Peucaea botterii en de Cassins gors Peucaea cassinii zijn groter, hebben een langere staart en missen de okerkleurige kop met streepjesband op de borst.

Leefgebied

In de winter hoge, dichte graslanden met weinig struiken, vooral halfwoestijngrasland met trosgrassen op vlakke hoogvlakten en in brede dalen. Loopt muisachtig weg door het gras en vliegt pas vlak voor de voeten op, om na een korte, lage vlucht weer in de vegetatie te verdwijnen. Eet in de winter vooral graszaden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Broedt in het zuiden van de Canadese prairieprovincies en in Montana en de Dakota's. Overwintert in het zuidoosten van Arizona, het zuidwesten van New Mexico en het westen van Texas en in het noorden van Mexico. In het gidsgebied vooral in Chihuahua, Sonora, Durango en Coahuila; doortrekkers worden ook in het noordoosten van Mexico gemeld.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter het best te vinden in grote, goed ontwikkelde graslanden, zoals rond Janos in het noordwesten van Chihuahua. Een opvliegende vogel landt meestal na een korte afstand; door de plek in het oog te houden is hij soms nog even op de grond te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Wel sterk afgenomen sinds het midden van de twintigste eeuw. Op de broedgronden verdwijnt natuurlijke prairie door omzetting in akkerland; in het gidsgebied gaan winterse graslanden verloren door omzetting in akkerland, overbegrazing en het dichtgroeien met struiken.

Wetenschappelijke naam

Centronyx bairdii | (Audubon, 1844)

Audubon beschreef de soort in 1844 als Emberiza bairdii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Centronyx werd in 1858 ingevoerd door Baird. Centronyx is Grieks, van kentron 'spoor' en onux 'klauw', naar de opvallend lange achternagel. bairdii eert de Amerikaanse ornitholoog Spencer Fullerton Baird (1823–1887), secretaris van het Smithsonian Institution. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Fort Union, North Dakota.