Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Bairds strandloper
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae
Bairds strandloper | Calidris bairdii
Baird's Sandpiper | Correlimos de Baird
De bairds strandloper is een kleine, langvleugelige strandloper die van de Noord-Amerikaanse toendra naar het zuiden van Zuid-Amerika trekt. In het gidsgebied is hij een doortrekker, die minder aan de kust gebonden is dan andere kleine strandlopers en vaak in het binnenland en op de hoogvlakte opduikt, ook aan meren hoog in de bergen.
Geluid
Een droog, rollend krrrp of kriep, laag en wat raspend, meestal bij het opvliegen.
Opname: Alvaro Rivera Rojas — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
14–18 cm, slank en vrij plat gebouwd, met lange vleugels waarvan de punten in zit duidelijk voorbij de staart uitsteken. Snavel kort, recht, dun en zwart; poten zwart. Van boven bruinachtig met een geschubd patroon, bij jonge vogels, die in de herfst de meeste waarnemingen leveren, met keurige lichte randen langs de veren. Een buffkleurige, fijn gestreepte borstband die scherp afsteekt tegen de witte buik, en een vage lichte wenkbrauwstreep. In de vlucht een smalle vleugelstreep en een donker midden van de stuit.
Verwarringssoorten
De bonapartes strandloper Calidris fuscicollis heeft eveneens lange vleugels, maar is grijzer, met een witte stuit en een lichte basis aan de ondersnavel. De kleinste strandloper Calidris minutilla is kleiner, met gele poten en een kortere vleugelprojectie. De grijze strandloper Calidris pusilla en de Alaskastrandloper Calidris mauri zijn kleiner en gedrongener, met kortere vleugels. De gestreepte strandloper Calidris melanotos is groter, met gele poten en een scherp afgegrensde, dicht gestreepte borst.
Leefgebied
Drogere randen van meren, lagunes en stuwmeren, kortgrazige oevers, opdrogende plassen, zoutpannen en ondergelopen akkers, van het laagland tot op de hoogvlakte en in het hooggebergte. Foerageert vaak op het droge deel van de oever, waar hij insecten oppikt in plaats van in de modder te prikken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Doortrekker door het hele gidsgebied, maar onregelmatig verspreid: het regelmatigst op de Mexicaanse hoogvlakte en aan meren in het binnenland, schaarser langs de kusten en in Midden-Amerika, met waarnemingen tot in Panama. In de herfst, vooral in augustus en september, het talrijkst; in het voorjaar trekt het merendeel via het binnenland van Zuid-Amerika en de Great Plains naar het noorden en is de soort in het gidsgebied schaars. Buiten het gidsgebied broedt de soort op de toendra van Noordoost-Siberië, Alaska, Canada en Noordwest-Groenland en overwintert zij vooral in de Andes en in het zuiden van Zuid-Amerika.
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In augustus en september zijn de oevers van meren op de Mexicaanse hoogvlakte de plek om naar deze soort te zoeken; de lange vleugelpunten en de gewoonte om op de droge oever te lopen onderscheiden hem van de andere kleine strandlopers.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De populatie is groot en lijkt stabiel. Het broedgebied is afgelegen; langs de trekroute is de soort afhankelijk van ondiepe meren en oevers in het binnenland, die door droogte en wateronttrekking kunnen verdwijnen.
Wetenschappelijke naam
Calidris bairdii | (Coues, 1861)
Coues beschreef de soort in 1861 als Actodromas (Actodromas) Bairdii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. bairdii eert de Amerikaanse natuuronderzoeker Spencer Fullerton Baird (1823–1887), onderdirecteur van het Smithsonian Institution. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Fort Resolution aan het Grote Slavenmeer.





