Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Bergplevier

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Bergplevier | Anarhynchus montanus

Mountain Plover | Chorlo llanero

De bergplevier is ondanks de naam een vogel van droge, kortgrazige vlakten. Hij broedt op de prairies en hoogvlakten van het westen van de Verenigde Staten en overwintert voor een deel in het noorden van Mexico. Het is een effen zandbruine plevier zonder borstband, die zelden bij water komt.

Bergplevier (Anarhynchus montanus)
Foto: ALAN SCHMIERER from near Patagonia, AZ, USA — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter meestal stil. Soms een laag, ratelend krrr of een kort, droog kip, vooral bij het opvliegen.

Luister: ZangXC131896

Opname: Dan Lane — CC BY-NC-SA 3.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

21–24 cm. Een vrij grote, rechtop staande plevier met een rond kopje, een dunne zwarte snavel en lange, doffe geelbruine tot vleeskleurige poten. Zonder borstband: de bovendelen zijn effen zandbruin, de borst is licht bruinachtig en de buik wit. In winterkleed is de kop vrijwel ongetekend, met een lichte wenkbrauwstreep; in broedkleed, dat in het voorjaar al zichtbaar kan zijn, een zwarte band op de voorkruin en een smalle zwarte teugelstreep. In de vlucht een smalle witte vleugelstreep, witte ondervleugels en een staart met een donkere eindband en witte randen.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse goudplevier Pluvialis dominica in winterkleed is groter en grijzer, met gespikkelde bovendelen, grijze ondervleugels en een donkere kruin. De killdeerplevier Charadrius vociferus heeft twee zwarte borstbanden en een oranje stuit. De blonde ruiter Calidris subruficollis is kleiner, met geschubde bovendelen en geheel geelbruine onderdelen, en de bartrams ruiter Bartramia longicauda heeft een lange hals, een kleine kop en een gestreepte borst.

Leefgebied

Kortgrazig en overbegraasd grasland, kale of pas geploegde akkers, braakliggend land en droge vlakten met verspreid laag struikgewas, op de hoogvlakte en in droge laaglanden. Mijdt hoog gras en water. Foerageert met korte sprintjes, stilstaan en pikken naar kevers, sprinkhanen en andere insecten. Leeft in de winter vaak in groepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Wintergast in het noorden van Mexico: in de vlakten van Baja California en Sonora, op de hoogvlakte van Chihuahua, Coahuila, Durango, Zacatecas en San Luis Potosí, en in de akkergebieden van Tamaulipas. Een groot deel van de populatie overwintert buiten het gidsgebied in Californië, Arizona en Texas. Broedt op de prairies en hoogvlakten van het westen van de Verenigde Staten, van Montana tot New Mexico.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kale akkers en kortgrazige vlakten met een telescoop afzoeken; de vogels drukken zich stil tegen de grond en vallen pas op als ze bewegen of opvliegen. Groepen keren vaak terug naar dezelfde akkers.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De populatie is klein en gaat achteruit door het verdwijnen van kortgrazige prairie, de bestrijding van prairiehonden, waarvan de kolonies geschikt broedterrein vormen, en de omzetting van grasland in akkerland. Ook in de Mexicaanse overwinteringsgebieden verdwijnt grasland door de uitbreiding en intensivering van de landbouw.

Wetenschappelijke naam

Anarhynchus montanus | (Townsend, 1837)

Townsend beschreef de soort in 1837 als Charadrius montanus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anarhynchus werd in 1832 ingevoerd door Quoy & Gaimard. Anarhynchus is Grieks, van ana- 'naar achteren, omgekeerd' en rhunkhos 'snavel', naar de zijwaarts gebogen snavel van de krombekplevier, de soort waarnaar het geslacht genoemd is. montanus is Latijn voor 'van de bergen', naar de typelocatie in de Rocky Mountains; de soort broedt vooral op droge hoogvlakten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Sweetwater River in Wyoming.