Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Bobolink
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Bobolink | Dolichonyx oryzivorus
Bobolink | Tordo arrocero
De bobolink is een kleine troepiaal van graslanden die een van de langste trekroutes van alle Amerikaanse zangvogels aflegt: van Noord-Amerika naar de graslanden van het zuiden van Zuid-Amerika. De meeste vogels trekken over het Caribisch gebied; in het gidsgebied is de soort een schaarse doortrekker.
Geluid
De zang in het broedgebied is een lange, borrelende, tinkelende reeks; in het gidsgebied zelden te horen, al zingen mannetjes in het voorjaar soms tijdens de trek. De roep, vaak in vlucht, is een metaalachtig pink, waaraan overvliegende vogels te herkennen zijn.
Opname: Christian Kerihuel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
16–18 cm. Gedrongen, met een korte, kegelvormige snavel en een korte staart met puntige staartpennen. Mannetje in broedkleed zwart van onderen en op de kop, met een roomgele achterhals en witte schouders en stuit. Vrouwtje, jonge vogels en mannetjes buiten de broedtijd warm okergeel tot bruingeel, met donkere kruinstrepen en een donkere streep achter het oog, een gestreepte rug en fijne streepjes op de flanken. Doortrekkers in het najaar zijn vrijwel allemaal in dit gele kleed.
Verwarringssoorten
Vogels in het gele kleed lijken op een gors. De sprinkhaangors Ammodramus savannarum is kleiner, met een plattere kop en een kortere, spitsere staart, en heeft geen gestreepte flanken. Vrouwtjes van de dickcissel Spiza americana hebben een grijzere kop, een kastanjebruine schoudervlek en een witte keel. Het vrouwtje van de epauletspreeuw Agelaius phoeniceus is groter, donkerder en over de hele onderzijde dicht gestreept.
Leefgebied
Tijdens de trek in open, hoog grasland, rijstvelden, akkers met graan en vochtige weilanden, vooral dicht bij de kust. Rust en foerageert in groepjes in het gras en eet dan vooral zaden en rijstkorrels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt in het zuiden van Canada en het noorden van de Verenigde Staten en overwintert in de graslanden van Bolivia, Paraguay en Argentinië. Trekt grotendeels over Florida en de Caribische eilanden. In het gidsgebied vooral langs de kust van het schiereiland Yucatán, de Caribische kust van Midden-Amerika en in Panama; elders in Mexico zeldzaam.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Tijdens de trek het best te vinden door te letten op het metaalachtige pink van overvliegende vogels boven kustgrasland en rijstvelden, vooral in het najaar.
Staat van instandhouding
Gevoelig (NT). De aantallen zijn in Noord-Amerika over een lange periode sterk afgenomen, vooral door het vroeg maaien van hooiland tijdens het broedseizoen en het verdwijnen van grasland. In de overwinteringsgebieden en langs de trekroute worden de vogels bovendien bestreden in rijstvelden en blootgesteld aan bestrijdingsmiddelen.
Wetenschappelijke naam
Dolichonyx oryzivorus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla oryzivora; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dolichonyx werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Dolichonyx is Grieks, van dolikhos 'lang' en onux 'klauw', naar de lange achterteennagel. oryzivorus is Latijn, van oryza 'rijst' en -vorus 'etend', omdat de trekvogels vroeger massaal op rijstvelden foerageerden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.



