Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Cholibaschreeuwuil

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves

Cholibaschreeuwuil | Megascops choliba

Tropical Screech Owl | Autillo tropical

De cholibaschreeuwuil is de algemeenste schreeuwuil van Zuid-Amerika en bereikt in Costa Rica de noordgrens van zijn verspreiding. In het gidsgebied leeft hij alleen in Costa Rica en Panama, in halfopen land met bomen, tot in tuinen en parken van steden. Hij is strikt nachtactief en wordt vaker gehoord dan gezien.

Cholibaschreeuwuil (Megascops choliba)
Foto: Segidawiki — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een korte, snorrende triller gevolgd door een of twee nadrukkelijke tonen, prrrrrr-koek-koek; het vrouwtje zingt hoger. Daarnaast een borrelend boeboeboeboe bij de balts, en kakelende en langere roepen. Het hele jaar te horen, vooral in de eerste uren na zonsondergang.

Luister: ZangXC1184975

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

21–23 cm, met korte oorpluimen die bij een ontspannen vogel nauwelijks opvallen, en gele ogen. De meeste vogels zijn grijsbruin, minder vaak bruin of roodbruin. De lichtgrijze gezichtsschijf heeft een duidelijke zwartachtige rand. De bovendelen zijn fijn gevlekt en gestreept, met een rij witte vlekken op de schouders. De onderdelen zijn licht met donkere lengtestrepen en fijne dwarslijntjes, die samen een visgraatpatroon vormen. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De roodwangschreeuwuil Megascops guatemalae en de chocóschreeuwuil Megascops centralis hebben een fijn gevermiculeerd verenkleed met een zwakkere rand om de gezichtsschijf, en hebben als zang een lange triller; ze leven in vochtig bos. De kaalpootschreeuwuil Megascops clarkii is warmer kaneelbruin, heeft grote witte vlekken op de onderdelen en leeft hoger in de bergen. De Braziliaanse dwerguil Glaucidium brasilianum is kleiner, heeft geen oorpluimen, een langere staart en twee donkere ‘valse ogen’ op de achterkop, en is ook overdag actief.

Leefgebied

Halfopen land: secundair bos, bosranden, droog bos, galerijbos, weiland met bomen, schaduwkoffie en tuinen en parken met bomen, ook in steden. Dicht, gesloten regenwoud wordt meestal gemeden. Komt voor van het laagland tot ongeveer 1500 meter, in Costa Rica plaatselijk hoger. Broedt in boomholten. Eet grote geleedpotigen zoals sprinkhanen, nachtvlinders, kevers en spinnen, en verder kikkers, hagedissen, kleine vogels en knaagdieren.

Verspreiding en trek

Standvogel in Costa Rica, vooral in de Centrale Vallei rond San José, Cartago en Alajuela en op de Pacifische helling van Puntarenas zuidwaarts; op de Caribische helling en in Guanacaste schaars. In Panama wijd verspreid, vooral op de Pacifische helling van Chiriquí tot de omgeving van Panama-Stad en in het Kanaalgebied, oostwaarts tot Darién. Enkele meldingen uit Guatemala en Honduras zijn onzeker. Buiten het gidsgebied door het grootste deel van Zuid-Amerika tot het noorden van Argentinië en Uruguay, en op Trinidad.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de Centrale Vallei van Costa Rica is hij na zonsondergang vaak te horen in tuinen, koffieplantages en parken, ook aan de rand van San José. In Panama roept hij in de omgeving van het Kanaalgebied en in de laaglanden van Coclé, en zit hij soms op een lantaarnpaal of tak langs een weg. De snorrende zang met de afsluitende tonen verraadt de vogel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is algemeen en profiteert van halfopen cultuurland en stedelijk groen, zolang er bomen met holten blijven staan.

Wetenschappelijke naam

Megascops choliba | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Strix choliba; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Megascops werd in 1848 ingevoerd door Kaup. Megascops combineert het Griekse megas 'groot' met Scops, de oude geslachtsnaam van de dwergooruilen. choliba komt van chóliba, een Aragonese naam voor de dwergooruil, die Félix de Azara uit zijn jeugd kende en aan deze Zuid-Amerikaanse uil gaf. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Paraguay.