Alle soorten › Futen › Futen › Dikbekfuut

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Flamingo's en futen Mirandornithes

Dikbekfuut | Podilymbus podiceps

Pied-billed Grebe | Zampullín picogrueso

De dikbekfuut is een gedrongen, bruine fuut met een korte, dikke snavel, die in het broedkleed een zwarte band draagt. Hij broedt verspreid over het hele gidsgebied, van Baja California tot Panama; in de noordelijke winter komen er vogels uit Noord-Amerika bij. Op het Atitlánmeer in Guatemala leefde tot eind jaren tachtig de atitlánfuut Podilymbus gigas, een grotere, vrijwel vliegonbekwame verwant die is uitgestorven.

Dikbekfuut (Podilymbus podiceps)
Foto: Dori — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, holle reeks die begint met snelle kuk-kuk-kuk-tonen en overgaat in een trager, dalend kau-kau-kau-kaup; vooral in de broedtijd, ook uit dichte vegetatie. Overwinterende vogels zijn meestal stil.

Luister: DuetXC1014816

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

30–38 cm, gedrongen, met een grote kop, een korte hals en een pluizig wit achterlijf. Het verenkleed is egaal grijsbruin, met een donkerder kruin en rug. De snavel is kort, hoog en hoenderachtig: in broedkleed bleek grijswit met een brede zwarte band, met een zwarte keel en een witte ring om het donkere oog. Buiten de broedtijd ontbreekt de band, is de snavel geelachtig hoornkleurig en de keel lichter. Jonge vogels hebben bruine en witte strepen op kop en hals. Zakt bij onraad vaak langzaam weg tot alleen de kop boven water steekt.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse dodaars Tachybaptus dominicus is kleiner en donkerder, met een dunne, spitse snavel en een geel oog. De geoorde fuut Podiceps nigricollis en de kuifduiker Podiceps auritus hebben een dunne snavel, een rood oog en in winterkleed meer zwart-witcontrast op kop en hals. Vrouwtjes en jonge vogels van de maskerstekelstaart Nomonyx dominicus en de rosse stekelstaart Oxyura jamaicensis liggen ook laag in het water en duiken, maar hebben een brede eendensnavel, een stijve staart en strepen of een lichte wang op de kop.

Leefgebied

Zoetwatermeren en -vijvers, moerassen met lisdodde en ander oevergroen, waterbekkens, rijstvelden en viskwekerijen, van zeeniveau tot de meren van de hoogvlakte; buiten de broedtijd ook brakke lagunes en grotere open wateren. Eet vissen, kreeftachtigen, waterinsecten en andere ongewervelden, die hij duikend vangt. Het nest is een drijvend platform van plantenmateriaal tussen de oevervegetatie.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Standvogel in vrijwel heel Mexico, van Baja California en Sonora tot Chiapas en het schiereiland Yucatán, en verder in Guatemala, Belize, Honduras, El Salvador, Nicaragua, Costa Rica en Panama; in Midden-Amerika meer plaatselijk dan in Mexico. In de noordelijke winter komen er vogels uit Noord-Amerika bij, vooral in het noorden en oosten van Mexico, van Sonora en Coahuila tot Tamaulipas en Quintana Roo. Buiten het gidsgebied van Canada door de Verenigde Staten en het Caribisch gebied tot in het zuiden van Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op bijna elk zoetwatermeer en grotere vijver met oevergroen, het talrijkst van oktober tot april, wanneer de wintergasten aanwezig zijn. In Costa Rica geregeld in Palo Verde, in Guatemala nog steeds op het Atitlánmeer. Het broedkleed met de zwarte snavelband is vooral in voorjaar en zomer te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; wijdverspreid in vrijwel heel Amerika. Plaatselijk verdwijnen broedplaatsen door het droogleggen en vervuilen van wetlands; waterbekkens en viskwekerijen bieden daarentegen nieuw leefgebied.

Wetenschappelijke naam

Podilymbus podiceps | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Colymbus Podiceps; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Podilymbus werd in 1831 ingevoerd door Lesson. Podilymbus is een samentrekking van het Latijnse podicipes 'voeten aan het achterste', de stam van Podiceps, en het Griekse kolumbos 'duiker', bekend uit de oude geslachtsnaam Colymbus. podiceps is de oudere geslachtsnaam Podiceps, Latijn podex, podicis 'achterste' en pes 'voet', die hier als soortnaam is blijven staan. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.