Alle soorten › Futen › Futen › Amerikaanse dodaars

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Flamingo's en futen Mirandornithes

Amerikaanse dodaars | Tachybaptus dominicus

Least Grebe | Zambullidor menor

De Amerikaanse dodaars is de kleinste fuut van het gidsgebied: een donkere, ronde watervogel met een fel geel oog. Hij komt voor van het noordwesten van Mexico tot Panama, op vrijwel elke kleine, begroeide plas in het laagland. Bij verstoring duikt hij liever weg dan dat hij opvliegt.

Amerikaanse dodaars (Tachybaptus dominicus)
Foto: ALAN SCHMIERER — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een snelle, ratelende triller, vaak door beide vogels van een paar als duet; verder een kort, schel piek of bieng. Het baltsgeluid is vergeleken met het hinniken van een paard.

Luister: ZangXC817508

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

21–27 cm, klein en rond, met een dunne, spitse, donkere snavel en een goudgeel tot oranjegeel oog. In broedkleed vrijwel egaal donker grijsbruin, met een zwartachtige kruin en keel en een grijzere kop; borst en flanken zijn bruiner. Buiten de broedtijd lichter, met een witte keel en een bleke snavelbasis. Jonge vogels hebben donkere en lichte strepen op de kop. In de vlucht, die weinig wordt gezien, een witte vleugelvlek. Ligt laag in het water, zonder zichtbare staart, met het witte achterlijf soms opgezet. In het zuiden van Baja California leeft een eigen ondersoort, T. d. bangsi; elders in het gidsgebied T. d. brachypterus.

Verwarrings­soorten

De dikbekfuut Podilymbus podiceps is groter en bruiner, met een dikke, bleke snavel en een donker oog. De geoorde fuut Podiceps nigricollis is groter, met een rood oog en in winterkleed een witte keel en wangvlek. Het vrouwtje van de maskerstekelstaart Nomonyx dominicus zwemt eveneens laag en duikt, maar is een eend, met een brede snavel, een stijve staart en twee donkere strepen over het gezicht.

Leefgebied

Kleine, ondiepe zoetwaterplassen en vijvers met veel drijvende planten en oevervegetatie, moerassen met lisdodde, sloten en kanalen, rijstvelden, veedrinkplaatsen en tijdelijke regenplassen; plaatselijk ook brakke plassen achter de mangrove. Vooral in het laagland, maar in Mexico plaatselijk tot ongeveer 2500 m. Eet kleine vissen, insecten en hun larven en andere ongewervelden, die hij duikend vangt. Het nest is een drijvend hoopje plantenmateriaal, verankerd aan de vegetatie; broedt vrijwel het hele jaar door wanneer er water staat.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Standvogel in bijna heel Mexico, van het zuiden van Baja California en Sonora langs de Pacifische kant en van Tamaulipas langs de Golfkust tot het schiereiland Yucatán; in het droge binnenland van het noorden schaarser en meer plaatselijk, in het noorden van Baja California vrijwel afwezig. Verder in Guatemala, Belize, Honduras, El Salvador, Nicaragua, Costa Rica en Panama. Buiten het gidsgebied in het zuiden van Texas, op de Grote Antillen en in Zuid-Amerika tot in het noorden van Argentinië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kleine, dichtbegroeide vijvers met wat open water zijn het meest kansrijk, ook veedrinkplaatsen en plassen langs wegen. Voorbeelden zijn de lagunes van het schiereiland Yucatán en Palo Verde in Costa Rica. Het ratelende duet verraadt een paar vaak eerder dan dat de vogels te zien zijn.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen en wijdverspreid in het gidsgebied. Plaatselijk verdwijnt leefgebied door het droogleggen van kleine wetlands, maar de soort bezet ook snel nieuw water, zoals vijvers bij boerderijen en waterbekkens.

Wetenschappelijke naam

Tachybaptus dominicus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Colymbus dominicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tachybaptus werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Tachybaptus is Grieks, van takhus 'snel' en baptō 'onderdompelen, duiken'. dominicus betekent 'van Santo Domingo', de oude naam voor Hispaniola. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hispaniola (Santo Domingo).