Alle soorten › Futen › Futen › Kuifduiker

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Flamingo's en futen Mirandornithes

Kuifduiker | Podiceps auritus

Horned Grebe | Zampullín cuellirrojo

De kuifduiker is een compacte fuut van noordelijke meren die in het gidsgebied alleen als schaarse wintergast in het uiterste noordwesten van Mexico voorkomt. In winterkleed is hij scherp zwart-wit getekend; het broedkleed met goudgele 'oortjes' is hier vrijwel alleen kort voor het vertrek in het voorjaar te zien.

Kuifduiker (Podiceps auritus)
Foto: Chuck Homler, Focus On Wildlife — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter vrijwel stil. Op de broedplaatsen een reeks schorre, piepende en kwetterende tonen en een gillende triller.

Luister: ZangXC795406

Opname: Alan Dalton — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

31–38 cm, compact, met een vrij platte kruin, een korte, rechte snavel met een lichte punt en een rood oog. In winterkleed zwartgrijs op kruin, achterhals en rug, scherp afgezet tegen witte wangen, keel en voorhals; de zwarte kap eindigt op ooghoogte en een klein licht vlekje voor het oog verbindt oog en snavel. In broedkleed een zwarte kop met brede goudgele veerbosjes achter het oog en een roodbruine hals en flanken. In de vlucht witte vlekken op de armvleugel en een kleine witte vlek op de voorrand van de vleugel.

Verwarrings­soorten

De geoorde fuut Podiceps nigricollis heeft een steiler voorhoofd en een hogere, gepiekte kruin, een dunnere, iets opgewipt lijkende snavel zonder lichte punt en in winterkleed een donkerder, vager afgezette wang met een witte vlek erachter en een grijze hals. De dikbekfuut Podilymbus podiceps is bruin met een dikke snavel en een donker oog.

Leefgebied

In het gidsgebied vooral beschutte kustbaaien, havens en lagunes, schaars ook grotere meren en waterbekkens in het binnenland. Eet vissen, kreeftachtigen en andere ongewervelden, die hij duikend vangt. Broedt op kleine meren en vennen in het noorden van Noord-Amerika en Eurazië.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Schaarse wintergast langs de Pacifische kust van Baja California en in het noorden van de Golf van Californië, in Baja California en Sonora; landinwaarts in het noorden van Mexico, zoals in Chihuahua, Coahuila en Nuevo León, zeldzaam. Zuidelijker in het gidsgebied uitzonderlijk. Broedt in Alaska, Canada en het noorden van de Verenigde Staten en verder in IJsland, Schotland, Scandinavië en Rusland; overwintert vooral langs de kusten van Noord-Amerika en Eurazië.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het meest kansrijk tussen november en maart in de baaien en havens van het noordwesten van Baja California, tussen groepen geoorde futen. De platte kruin, de scherpe grens tussen zwarte kap en witte wang en de lichte snavelpunt onderscheiden hem van de veel talrijkere geoorde fuut.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. De soort gaat wereldwijd achteruit, vooral door het verdwijnen en verslechteren van kleine broedmeren in Noord-Amerika en Europa. In het gidsgebied gaat het om een klein aantal overwinteraars, zonder duidelijke trend.

Wetenschappelijke naam

Podiceps auritus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Colymbus auritus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Podiceps werd in 1787 ingevoerd door Latham. Podiceps is Latijn, van podex, genitief podicis, 'achterste', en pes 'voet', naar de poten die ver naar achteren aan het lichaam staan. auritus is Latijn voor 'geoord', van auris 'oor', naar de goudgele veerbundels achter het oog in zomerkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.