Alle soorten › Futen › Futen › Geoorde fuut

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Flamingo's en futen Mirandornithes

Geoorde fuut | Podiceps nigricollis

Eared Grebe | Zampullín cuellinegro

De geoorde fuut is een kleine, donkere fuut met een rood oog en een dunne snavel. Op de meren van de Mexicaanse hoogvlakte broedt hij in kolonies; in de winter komen er grote aantallen uit Noord-Amerika bij, die zich vooral in de Golf van Californië en op de meren van het noorden en het centrum van Mexico verzamelen.

Geoorde fuut (Podiceps nigricollis)
Foto: ADJ82 — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op de broedplaatsen een zacht, stijgend fluitend poe-iep en een snelle, rollende triller; in de winter meestal stil.

Luister: ZangXC1084603

Opname: Julien Piette — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

28–34 cm, met een steil voorhoofd, een hoge, gepiekte kruin en een dunne, iets opgewipt lijkende snavel; het oog is helder rood. In broedkleed kop, hals en rug zwart, met een waaier van goudgele veren achter het oog en roodbruine flanken. In winterkleed donkergrijs op kruin, wang en achterhals, met een witte keel, een witte vlek achter de wang en een vuilgrijze voorhals; de grens tussen donker en wit is vaag. Ligt vaak met een hoog, pluizig achterlijf op het water.

Verwarrings­soorten

De kuifduiker Podiceps auritus heeft een plattere kruin, een rechte snavel met een lichte punt en in winterkleed een scherp afgezette witte wang en voorhals. De Amerikaanse dodaars Tachybaptus dominicus is kleiner, met een geel oog en geen zwart-witcontrast. De dikbekfuut Podilymbus podiceps is bruin met een dikke snavel en een donker oog.

Leefgebied

Ondiepe, voedselrijke zoetwatermeren met oevervegetatie, waterbekkens en binnenlandse zout- en sodameren; in de winter ook lagunes, kustbaaien en open zee dicht bij de kust, waar soms grote, dichte groepen liggen. Eet waterinsecten, kreeftachtigen zoals pekelkreeftjes en kleine vissen. Het nest is een drijvend platform van plantenmateriaal, vaak in kolonies.

Verspreiding en trek

Broedvogel op de meren van de hoogvlakte in het binnenland van Mexico, onder meer in Chihuahua, Durango, Zacatecas, Jalisco, Guanajuato, Michoacán, de staat México en Puebla. In de winter wijdverspreid in het noorden en het centrum van Mexico, langs beide kusten van Baja California, in de Golf van Californië en in Sonora, schaarser oostwaarts tot Coahuila, Nuevo León en Tamaulipas en zuidwaarts tot Oaxaca. In de hooglanden van Guatemala een schaarse wintergast; verder zuidelijk uitzonderlijk. Buiten het gidsgebied in het westen van Noord-Amerika en verder in Eurazië en Afrika.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter op vrijwel elk groter meer of waterbekken van de hoogvlakte en in de baaien van de Golf van Californië, soms in groepen van honderden tot duizenden vogels. In de broedtijd kolonies op begroeide meren van de hoogvlakte, zoals in de omgeving van Mexico-Stad en in Jalisco en Michoacán.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de talrijkste fuut ter wereld. De broedmeren op de hoogvlakte staan onder druk door waterwinning, verlanding en vervuiling, maar in de winter zijn de aantallen in het gidsgebied groot.

Wetenschappelijke naam

Podiceps nigricollis | Brehm, 1831

Brehm beschreef de soort in 1831 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Podiceps werd in 1787 ingevoerd door Latham. Podiceps is Latijn, van podex, genitief podicis, 'achterste', en pes 'voet', naar de poten die ver naar achteren aan het lichaam staan. nigricollis is Latijn, van niger 'zwart' en collum 'hals', naar de zwarte hals in zomerkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland.