Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Forsters stern

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Forsters stern | Sterna forsteri

Forster's Tern | Charrán de Forster

De forsters stern is een middelgrote stern van Noord-Amerikaanse moerassen en kusten. In het gidsgebied is hij vooral een wintergast, talrijk langs de kusten en lagunes van Mexico en schaarser verder naar het zuiden. In winterkleed is hij de stern met de losse zwarte oogvlek op een witte kop.

Forsters stern (Sterna forsteri)
Foto: Dick Daniels (http://theworldbirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een laag, nasaal en dalend kjarr of kerr, lager en ruwer dan bij de visdief; bij dreiging een schor zaar.

Luister: VluchtroepXC883553

Opname: Valerie Heemstra — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

33–36 cm, slank, met een lange, diep gevorkte staart, vrij lange poten en een dunne snavel. In broedkleed een volledig zwarte kap, een oranje snavel met zwarte punt en oranjerode poten; de bovenkant van de handpennen is zilverwit, lichter dan de rug. In winterkleed, waarin de vogels hier meestal verschijnen, is de kop wit met een afgeronde zwarte vlek door en achter het oog, en is de snavel zwart; de achterkop is wit of licht grijsachtig. De bovendelen zijn lichtgrijs, de stuit wit en de staart grijs met witte buitenranden. Eerstejaars vogels lijken op winteradulten, met donkerder handpennen en een kortere staart.

Verwarrings­soorten

De visdief Sterna hirundo heeft in winterkleed een zwarte band van het oog tot rond de achterkop in plaats van een losse oogvlek, een donkere wig in de handpennen, een donkere voorvleugelrand en kortere poten. De lachstern Gelochelidon nilotica heeft in de winter eveneens een donkere oogvlek, maar is forser, met een dikke, korte zwarte snavel, een kortere staart en zwarte poten. De grote stern Thalasseus sandvicensis en de sierlijke stern Thalasseus elegans zijn groter en hebben een ruige kuif.

Leefgebied

Beschutte, ondiepe wateren: lagunes, zoutpannen, ondiepe baaien, slikvlakten, mangrovekreken en riviermondingen, en ook meren, stuwmeren en plassen in het binnenland. Jaagt door te bidden en naar vis te duiken, en vangt ook insecten boven het water. Rust op palen, boeien en zandbanken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In de winter langs de Pacifische kust van Baja California en Sonora tot Guatemala en El Salvador, en langs de Golfkust van Tamaulipas tot het schiereiland Yucatán en Belize; verder zuidelijk, tot Costa Rica en Panama, schaars. Ook op meren en stuwmeren in het noorden en op de centrale hoogvlakte van Mexico, waar de soort bij Mexico-Stad ook broedt. Buiten het gidsgebied broedt ze in de prairiemoerassen van Canada en de Verenigde Staten en langs de Atlantische en Golfkust, en overwintert ze ook in het zuiden van de Verenigde Staten.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Lagunes, zoutpannen en riviermondingen langs de Mexicaanse kusten in de winter bieden de meeste kans, vaak met groepjes op palen en zandbanken. De losse zwarte oogvlek op een witte kop onderscheidt de soort het snelst; een vogel met een zwarte band die de oogvlek met de achterkop verbindt is eerder een visdief.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De populatie is redelijk stabiel, maar de soort is in het broedgebied afhankelijk van moerassen, die door ontwatering en veranderende waterstanden achteruitgaan.

Wetenschappelijke naam

Sterna forsteri | Nuttall, 1834

Nuttall beschreef de soort in 1834 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sterna werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Sterna gaat terug op het Oudengelse stearn, dat voorkomt in het gedicht The Seafarer; de Friezen gebruikten een verwant woord voor sterns. forsteri eert de Duitse natuuronderzoeker Johann Reinhold Forster (1729–1798), die met Cook meevoer op diens tweede reis. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Saskatchewan in Canada.