Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Franklins meeuw
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae
Franklins meeuw | Leucophaeus pipixcan
Franklin's Gull | Gaviota de Franklin
De franklins meeuw broedt in moerassen op de prairies van het binnenland van Noord-Amerika en overwintert langs de westkust van Zuid-Amerika. In het gidsgebied is hij vooral een doortrekker, die in het voorjaar en de herfst in groepen van honderden tot duizenden vogels langs de Pacifische kust trekt. Hij is een van de weinige meeuwen die twee keer per jaar ruien.
Geluid
Buiten het broedgebied weinig roepend. Roepen zijn zachter en minder scherp dan die van de lachmeeuw: een nasaal kuk en een hoog wie-ah.
Opname: Dante Buzzetti — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
32–36 cm, compact, met een ronde kop en een vrij korte snavel. Volwassen vogels hebben een donker leigrijze mantel en een witte band tussen het grijs van de vleugel en de zwarte vleugelpunt, die zelf brede witte toppen heeft. In het broedkleed is de kop zwart met brede witte oogboogjes, de snavel rood en de borst vaak roze getint; in het winterkleed blijft een donkere halve kap over het achterhoofd, met opvallende witte oogboogjes. Eerstejaars vogels hebben een grijze mantel, bruinige vleugels, een donkere halve kap, witte onderdelen en een zwarte staartband die de buitenste staartpennen vrijlaat.
Verwarringssoorten
De lachmeeuw Leucophaeus atricilla is groter, met een langere, hangende snavel, smallere oogboogjes, zwarte vleugelpunten zonder witte band en in het winterkleed alleen een grijze waas op de kop; eerstejaars lachmeeuwen hebben een grijsbruine borst en een volledige staartband. De kleine kokmeeuw Chroicocephalus philadelphia is kleiner en lichter grijs, met een witte voorrand aan de handpennen.
Leefgebied
Op de trek vooral langs de kust: stranden, kustwater, slikken en lagunes, waar groepen rusten en boven zee foerageren. In het binnenland van Mexico ook meren, stuwmeren, rijstvelden en ondergelopen akkers, waar de vogels insecten vangen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Op de trek langs de hele Pacifische kust, van Sonora en Sinaloa tot Panama, en in het voorjaar ook door het binnenland van het noordoosten van Mexico en langs de Golfkust. In de winter enkele langs de Pacifische kust van Mexico en Midden-Amerika. Aan de Caribische kust van Midden-Amerika schaars. Buiten het gidsgebied broedt de soort op de prairies van Canada en het noorden van de Verenigde Staten en overwintert ze vooral langs de kust van Peru en Chili.
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In april en mei en in oktober en november trekken langs de Pacifische kust, bijvoorbeeld bij de Golf van Nicoya of in de Bocht van Panama, soms duizenden vogels. In vlucht is de witte band voor de zwarte vleugelpunt het beste kenmerk.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De populatie is groot, maar schommelt sterk met de waterstand in de prairiemoerassen. In het gidsgebied een doortrekker zonder broedpopulatie.
Wetenschappelijke naam
Leucophaeus pipixcan | (Wagler, 1831)
Wagler beschreef de soort in 1831 als Larus Pipixcan; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leucophaeus werd in 1855 ingevoerd door Bruch. Leucophaeus is Grieks, van leukos 'wit' en phaios 'donkergrijs'. pipixcan is een Nahuatl-naam voor een meeuwensoort. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mexico.





