Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Lachmeeuw
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae
Lachmeeuw | Leucophaeus atricilla
Laughing Gull | Gaviota guanaguanare
De lachmeeuw is de meest verbreide meeuw van het gidsgebied, aanwezig langs elke kust van Baja California tot Panama. Hij dankt zijn naam aan de roep, een reeks lachende noten. In Mexico en Belize broedt hij in kolonies op eilandjes en stranden, en in de winter komen er grote aantallen vogels uit Noord-Amerika bij, die zuidwaarts tot ver in Zuid-Amerika trekken.
Geluid
Het bekendste geluid is een lange reeks hoge, lachende roepen, ha-ha-ha-haah-haah, aan het eind langgerekt; verder een nasaal kie-ah en korte ka-roepen.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
36–42 cm, met lange, smalle vleugels en een lange, iets hangende snavel. Volwassen vogels hebben een donker leigrijze mantel en vleugels, zwarte vleugelpunten met hooguit kleine witte puntjes, een witte achterrand aan de vleugel en donkere poten. In het broedkleed is de kop zwart met een onderbroken witte oogring en is de snavel donkerrood; in het winterkleed is de kop wit met een grijze waas op achterhoofd en oorstreek, en is de snavel zwart. Het volwassen kleed wordt in het derde jaar bereikt. Eerstejaars vogels zijn grijsbruin op kop, borst en vleugels, met een grijze mantel en een brede zwarte eindband op de witte staart.
Verwarringssoorten
De franklins meeuw Leucophaeus pipixcan is kleiner, met een rondere kop, een kortere snavel, bredere witte oogboogjes, in het winterkleed een donkere halve kap en een witte band tussen grijs en zwart op de vleugelpunt. De ringsnavelmeeuw Larus delawarensis is groter en lichter grijs, met een gele snavel met zwarte ring. De kleine kokmeeuw Chroicocephalus philadelphia is kleiner en lichter grijs, met een witte voorrand aan de handpennen.
Leefgebied
Stranden, havens, lagunes, riviermondingen, slikken en kustwater, en in de winter ook rijstvelden en vuilnisbelten dicht bij de kust. Broedt op lage eilandjes en cays en op kale stranden. Eet vis, kreeftachtigen, insecten en afval, en volgt vissersboten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Langs de hele Pacifische en Caribische kust van het gidsgebied, van Baja California en Tamaulipas tot Panama. Broedt in kolonies in de Golf van Californië, langs de Golfkust van Tamaulipas tot het schiereiland Yucatán en op cays voor Belize. In de winter en op de trek is hij overal langs de kust talrijk; landinwaarts schaars. Buiten het gidsgebied broedt de soort langs de Atlantische kust en de Golfkust van de Verenigde Staten en in het Caribisch gebied, en overwintert ze zuidelijk tot Peru en Brazilië.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In elke vissershaven en op elk strand, zoals in Mazatlán, Puntarenas of Panama-Stad, is hij te zien. In de winter verraden de donkergrijze mantel en de lange, hangende zwarte snavel hem tussen andere meeuwen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De populatie is groot en neemt toe. In het gidsgebied een broedvogel en een talrijke wintergast.
Wetenschappelijke naam
Leucophaeus atricilla | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Larus Atricilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leucophaeus werd in 1855 ingevoerd door Bruch. Leucophaeus is Grieks, van leukos 'wit' en phaios 'donkergrijs'. atricilla verbindt het Latijnse ater 'zwart' met het Neolatijnse cilla 'staart', naar de zwarte staart van jonge vogels; mogelijk bedoelde Linnaeus atricapilla 'zwartkoppig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Bahama's.





