Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Grijskopmeeuw
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae
Grijskopmeeuw | Chroicocephalus cirrocephalus
Grey-headed Gull | Gaviota cabecigrís
De grijskopmeeuw is een middelgrote meeuw van Zuid-Amerika en Afrika ten zuiden van de Sahara, en in het gidsgebied een dwaalgast, geen inheemse soort. In Zuid-Amerika broedt hij langs de kust van Ecuador en Peru en op meren en rivieren in het oosten van het continent. De weinige gevallen hier komen van de Pacifische kust in het zuiden van het gidsgebied.
Geluid
Een langgerekt, krassend kaaarr en een hees kwerrk; in groepen een aanhoudend gekakel.
Opname: Fabrício Grigolin — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
40–42 cm, een middelgrote meeuw met een vrij lange, rode snavel en rode poten. Volwassen vogels hebben in het broedkleed een lichtgrijze kap met een donkerder rand aan de achterkant, een lichte iris met een rode oogring, een middengrijze mantel en een zwarte buitenvleugel met twee grote witte spiegels en een witte wig aan de voorrand; de ondervleugel is opvallend donkergrijs. In het winterkleed verbleekt de kap tot een grijze zweem of een donkere vlek achter het oog. Onvolwassen vogels hebben een bruine band over de vleugeldekveren, een zwarte eindband op de staart, een oranje snavel met donkere punt en een donker oog.
Verwarringssoorten
De kleine kokmeeuw Chroicocephalus philadelphia is veel kleiner, met een fijne zwarte snavel, een donker oog en een lichte ondervleugel. De lachmeeuw Leucophaeus atricilla en de franklins meeuw Leucophaeus pipixcan zijn donkerder grijs, met een zwarte kap in het broedkleed en zonder witte wig en spiegels in de buitenvleugel.
Leefgebied
Kustlagunes, riviermondingen, stranden en havens, en in het binnenland van Zuid-Amerika ook meren en rivieren. Zoekt voedsel lopend en zwemmend en eet vis, kleine kreeftachtigen en afval.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Een klein aantal gevallen in het gidsgebied, aan de Pacifische kust van Panama en Costa Rica. Buiten het gidsgebied broedt de soort langs de kust van Ecuador en Peru, in het oosten van Zuid-Amerika van Brazilië tot Argentinië, en in grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara en op Madagaskar.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Groepen meeuwen en sterns aan de Pacifische kust van Panama, zoals in de Bocht van Panama, bieden de meeste kans. De grijze kap, het lichte oog en de donkere ondervleugel met witte spiegels onderscheiden hem van de gewone meeuwen hier.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De populatie is groot en wijdverbreid. In het gidsgebied een dwaalgast zonder vaste aanwezigheid.
Wetenschappelijke naam
Chroicocephalus cirrocephalus | (Vieillot, 1818)
Vieillot beschreef de soort in 1818 als Larus cirrocephalus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chroicocephalus werd in 1836 ingevoerd door Eyton. Chroicocephalus verbindt het Oudgriekse khroikos 'gekleurd' met -kephalos '-koppig'. cirrocephalus komt van het nieuw-Latijnse cirrus, 'wolk' (Latijn cirrus, 'krul'), en het Griekse -kephalos, '-koppig': 'wolkenkop', naar de grijze kop. De naam is gebaseerd op Azara's 'Gabiota cenicienta' (asgrauwe meeuw). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Brazilië.



