Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Geelbuiksapspecht

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Muisvogels, scharrelaars en spechten Coraciimorphae › Trogons en holenbroeders Cavitaves › Neushoornvogels, ijsvogels en spechten Picocoraciae › IJsvogels, bijeneters en spechten Picodynastornithes

Geelbuiksapspecht | Sphyrapicus varius

Yellow-bellied Sapsucker | Chupasavia maculado

De geelbuiksapspecht is de sapspecht die het verst naar het zuiden overwintert en in het gidsgebied van Mexico tot Panama voorkomt. Hij boort rijen kleine gaatjes in de schors van levende bomen, de zogenoemde sapputjes, en komt daar steeds terug om het uitlopende sap en de insecten die erop afkomen op te likken. Kolibries en zangers maken ook gebruik van die putjes.

Geelbuiksapspecht (Sphyrapicus varius)
Foto: Andy Reago & Chrissy McClarren — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter meestal stil. Soms een zacht, nasaal miauwend njèèh en een zacht kwierr. Het roffelen heeft een onregelmatig ritme, met een snelle aanloop en daarna enkele losse slagen, maar is in het gidsgebied weinig te horen.

Luister: RoffelXC1038387

Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

19–21 cm, een kleine, slanke specht. In alle kleden valt een lange witte vleugelstreep langs de dekveren op, ook bij zittende vogels. Volwassen vogels hebben een rode kruin, een zwart-witte koptekening met een witte streep van de snavel naar de hals, een zwarte borstband en een lichtgeelachtige buik; de nek is wit of zwart, zonder rood. Het mannetje heeft een rode keel die geheel door zwart omrand is, het vrouwtje een witte keel. De rug is zwart met lichtbruine en witte vlekken; de stuit is wit. Eerstejaars vogels, in de winter het talrijkst, zijn grotendeels bruinachtig met een vage koptekening en ruien pas laat in de winter naar het volwassen kleed.

Verwarrings­soorten

De roodneksapspecht Sphyrapicus nuchalis, vooral in het noordwesten van Mexico, heeft een rode nekvlek, bij het mannetje meer rood op de keel dat door de zwarte omranding heen breekt, en een rug met twee smalle witte lengtestrepen; jonge roodneksapspechten hebben in de herfst al grotendeels het volwassen kleed. De roodborstsapspecht Sphyrapicus ruber heeft een geheel rode kop en borst. Andere spechten in het gidsgebied hebben geen witte vleugelstreep.

Leefgebied

Bossen van allerlei typen, vooral pijn-eikenbos en nevelwoud in de bergen, maar ook bosranden, secundair bos, droogbos, schaduwkoffie, boomgaarden, parken en tuinen met bomen, van zeeniveau tot ruim 3000 m. Eet sap en insecten uit zijn putjes en daarnaast vruchten en bessen. In de winter leeft hij solitair en houdt een vaste boom of groep bomen met sapputjes in bezit.

Verspreiding en trek

In de winter in het grootste deel van Mexico, het talrijkst in het oosten, het midden en het zuiden, schaars in het noordwesten en op Baja California. Verder in Belize, Guatemala, El Salvador en Honduras; schaars in Nicaragua en Costa Rica en zeldzaam in het westen van Panama. Buiten het gidsgebied broedend in Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten, en ook overwinterend in het zuidoosten van de Verenigde Staten en het Caribisch gebied.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter vrij algemeen in de pijn-eikenbossen van Chiapas en de hooglanden van Guatemala en Honduras, en in parken en tuinen in steden als Oaxaca. Verse rijen kleine gaatjes in de schors verraden de aanwezigheid; bruinachtige eerstejaars zijn aan de witte vleugelstreep te herkennen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is in Noord-Amerika algemeen en het broedgebied heeft zich de afgelopen decennia uitgebreid.

Wetenschappelijke naam

Sphyrapicus varius | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Picus varius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sphyrapicus werd in 1858 ingevoerd door Baird. Sphyrapicus verbindt Grieks sphura 'hamer' met Picus 'specht': 'hamerspecht'. varius is Latijn voor 'bont, gevarieerd', naar het gevlekte zwart-witte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.