Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Bergsapspecht

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Muisvogels, scharrelaars en spechten Coraciimorphae › Trogons en holenbroeders Cavitaves › Neushoornvogels, ijsvogels en spechten Picocoraciae › IJsvogels, bijeneters en spechten Picodynastornithes

Bergsapspecht | Sphyrapicus thyroideus

Williamson's Sapsucker | Chupasavia oscuro

De bergsapspecht is een sapspecht van naaldbos in de bergen, bij wie mannetje en vrouwtje zo verschillend zijn dat ze in de negentiende eeuw als twee soorten werden beschreven. In het gidsgebied is hij vooral een wintergast in de bergen van het noordwesten en westen van Mexico; een kleine broedpopulatie leeft in de Sierra San Pedro Mártir in Baja California. Net als andere sapspechten boort hij rijen gaatjes in de schors en drinkt het sap dat eruit loopt.

Bergsapspecht (Sphyrapicus thyroideus)
Foto: Yellowstone National Park — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Een nasaal, schor tsjurr of kwieer, ruwer dan de miauwende roep van de andere sapspechten. Het roffelen heeft het typische ritme van sapspechten: een korte, snelle aanloop die overgaat in enkele losse, langzamere tikken. In de winter weinig te horen.

Luister: RoffelXC737526

Opname: Paul Marvin — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

22–25 cm. Het mannetje is glanzend zwart op kop, rug en borst, met een witte streep achter het oog, een tweede witte streep van de snavelbasis naar de hals, een kleine rode keelvlek, een felgele buik en zwart-wit gebandeerde flanken. Een grote witte vleugelvlek en een witte stuit vallen in vlucht op. Het vrouwtje heeft een bruine kop, een fijn bruin-zwart gebandeerde rug, vleugels en flanken, een zwarte borstvlek en een gele buikmitte; ze heeft wel een witte stuit, maar geen witte vleugelvlek.

Verwarrings­soorten

Het mannetje onderscheidt zich van de geelbuik-, roodnek- en roodborstsapspecht door de zwarte rug, de zwarte kruin en het ontbreken van rood op de kop, op de keelvlek na. Het vrouwtje kan op een kleine gouden grondspecht Colaptes auratus lijken, maar die is groter, heeft een gevlekte buik zonder geel en gekleurde schachten in vleugels en staart.

Leefgebied

In de winter pijn-eikenbos en pijnbos in de bergen, vooral boven ongeveer 1500 m, soms ook lager in bosranden en boomgaarden. Tapt sap vooral uit naaldbomen en eet daarnaast insecten, vooral mieren, en wat bessen. Broedt in Baja California in open, droog naaldbos met grote pijnbomen. Leeft in de winter solitair en is vaak onopvallend.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Broedvogel in de Sierra San Pedro Mártir in het noorden van Baja California. In de winter in de bergen van het noordwesten van Mexico, van Sonora en Chihuahua door Sinaloa, Durango en Zacatecas zuidwaarts tot Jalisco en Michoacán; zeldzaam oostelijker. Buiten het gidsgebied broedend in de bergen van het westen van de Verenigde Staten en het zuiden van Brits-Columbia.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter in de pijnbossen van de Sierra Madre Occidental, bijvoorbeeld in Durango, en in de broedtijd in het naaldbos van de Sierra San Pedro Mártir. Verse rijen gaatjes in de schors van pijnbomen verraden de aanwezigheid.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De broedpopulatie in Baja California is klein en geïsoleerd.

Wetenschappelijke naam

Sphyrapicus thyroideus | (Cassin, 1852)

Cassin beschreef de soort in 1852 als Picus thyroideus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sphyrapicus werd in 1858 ingevoerd door Baird. Sphyrapicus verbindt Grieks sphura 'hamer' met Picus 'specht': 'hamerspecht'. thyroideus is Grieks, van thureos 'groot langwerpig schild' en -oidēs 'gelijkend', naar de zwarte borstvlek van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Georgetown, El Dorado County, Californië.