Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Gele zwartkeelzanger

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Gele zwartkeelzanger | Setophaga virens

Black-throated Green Warbler | Chipe dorso verde

De gele zwartkeelzanger is een kleine zanger met een gele kop, een olijfgroene rug en, bij het mannetje, een zwarte keel en borst. Hij broedt in gemengd bos en naaldbos in Canada en het oosten van de Verenigde Staten. In het gidsgebied is hij een algemene wintergast, vooral in bergbos en voetheuvelbos van het oosten van Mexico tot Panama.

Gele zwartkeelzanger (Setophaga virens)
Foto: Wildreturn — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een zoemende reeks van vijf of zes noten, zie zie zoe zoe zie of zoe zie zoe zoe zie; in het gidsgebied vooral in het voorjaar te horen. De roep is een vlak, kort tsik, de vluchtroep een hoog sie.

Luister: ZangXC1038308

Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm. Gezicht helder geel met een olijfgroene wangvlek en een smalle donkere streep door het oog; kruin en rug olijfgroen. Twee brede witte vleugelstrepen. Onderdelen wit met zwarte strepen op de flanken en een lichtgele waas bij de aars. Het mannetje heeft een zwarte keel en borst; bij het vrouwtje en jonge vogels is de keel geelachtig of wit en beperkt het zwart zich tot vlekken op de borstzijden. In de winter is het zwart bij het mannetje deels door lichte randen bedekt.

Verwarrings­soorten

Townsends zanger Setophaga townsendi heeft een donkere, geel omrande wangvlek, een gele borst en zwarte vlekken op de rug. De heremietzanger Setophaga occidentalis heeft een geheel gele kop zonder wangvlek en een grijze rug. De geelwangzanger Setophaga chrysoparia, een schaarse wintergast in de hooglanden van Chiapas tot Nicaragua, heeft een zwarte streep door het oog en, bij het mannetje, een zwarte kruin en rug; de aars is wit zonder gele waas.

Leefgebied

In de winter vooral nevelwoud, pijn-eikenbos en vochtig bos in de heuvels en bergen, van ongeveer 500 tot 3000 m, ook bosranden, secundair bos en schaduwkoffie; in kleinere aantallen in laaglandbos. Zoekt in de middelste en hoge lagen van de bomen naar insecten en voegt zich vaak bij gemengde groepen.

Verspreiding en trek

Broedt in Canada en het oosten van de Verenigde Staten, zuidwaarts in de Appalachen en plaatselijk aan de kust van de Golf van Mexico. Overwintert van het noordoosten en midden van Mexico door Midden-Amerika tot Panama, en in kleine aantallen in het Caribisch gebied. Op doortrek talrijk in het oosten van Mexico. Op de verspreidingskaart duiden vlakken met jaarrond voorkomen in het noorden van het gidsgebied op elkaar overlappende waarnemingen van doortrekkers en wintergasten; de soort broedt niet in het gidsgebied.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter een van de meest voorkomende Noord-Amerikaanse zangers in gemengde groepen in het bergbos, bijvoorbeeld in de hooglanden van Chiapas, Guatemala en Costa Rica. Het felgele gezicht met de olijfgroene wangvlek is in de kruinen goed te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Algemeen en wijdverbreid; de broedpopulatie in Noord-Amerika is groot en lijkt stabiel.

Wetenschappelijke naam

Setophaga virens | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Motacilla virens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. virens is Latijn voor 'groen', naar de olijfgroene bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Philadelphia, Pennsylvania (VS).