Alle soorten › Trogonachtigen › Trogons › Geoorde trogon

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Muisvogels, scharrelaars en spechten Coraciimorphae › Trogons en holenbroeders Cavitaves

Geoorde trogon | Euptilotis neoxenus

Eared Quetzal | Trogón orejón

De geoorde trogon is een grote, langstaartige trogon van de dennen- en eikenbossen in de Sierra Madre Occidental van West-Mexico. Hij is de enige soort in zijn geslacht en dankt zijn naam aan een paar smalle, verlengde veertjes achter het oog. Een deel van de vogels in het noorden van het areaal trekt 's winters naar lagere of zuidelijker hellingen; elders is hij standvogel. Buiten Mexico verschijnt hij alleen als zeldzame gast in de bergen van Arizona en New Mexico.

Geoorde trogon (Euptilotis neoxenus)
Foto: Dario — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang van het mannetje is een reeks hoge, gierende fluittonen die geleidelijk opklimt en eindigt in een kwetterend gekakel. De roep is een schel, gierend kwiee-tsjik, vaak in de vlucht; dit geluid verschilt duidelijk van de kakelende reeksen van de andere trogons.

Luister: ZangXC1139854

Opname: Pat Goltz — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

33–36 cm, met een lange, brede, recht afgesneden staart. Het mannetje heeft een zwartachtige kop, een metaalgroene rug en borst, en een rode buik en onderstaartdekveren; een witte borstband ontbreekt. De bovenkant van de staart is donker blauwgroen, de onderkant grotendeels wit met een donker midden. Achter het oog zitten enkele smalle, verlengde veertjes die alleen van dichtbij zichtbaar zijn. De snavel is donkergrijs. Het vrouwtje heeft een grijze kop en borst en minder rood op de buik.

Verwarrings­soorten

De noordelijke koperstaarttrogon Trogon ambiguus en de Mexicaanse trogon Trogon mexicanus leven in hetzelfde bergbos, maar zijn kleiner, hebben een gele snavel (mannetje) en een witte band tussen de groene borst en de rode buik. De quetzal Pharomachrus mocinno komt niet in de Sierra Madre Occidental voor.

Leefgebied

Dennen-eikenbos en gemengd naaldbos in de bergen, meestal tussen ongeveer 1800 en 3000 m, vaak in beboste ravijnen met een beek. Zit lang stil in de middelste en hogere boomlagen en eet vooral vruchten en grote insecten, die in een korte vlucht van tak of blad worden gegrepen. Broedt laat in het jaar, in de regentijd van juli tot oktober, in een boomholte, vaak een oud spechtenhol.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Sierra Madre Occidental van het oosten van Sonora en het westen van Chihuahua zuidwaarts door Durango, Sinaloa, Nayarit, Zacatecas en Jalisco tot in Michoacán. In het noorden van het areaal is hij vooral in de zomer aanwezig; 's winters trekt een deel van de vogels naar lagere of zuidelijker berghellingen. Ten zuiden van Michoacán en in de rest van het gidsgebied komt hij niet voor. Buiten het gidsgebied alleen als zeldzame gast in het zuidoosten van Arizona en het zuidwesten van New Mexico.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De kans is het grootst van mei tot oktober, wanneer de mannetjes zingen, in hoog gelegen dennen-eikenbos rond Yécora in Sonora, in de omgeving van Basaseachi in Chihuahua en langs de weg van Durango naar Mazatlán. Het gierende geluid verraadt de vogel meestal eerder dan zijn kleuren.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een beperkt verspreidingsgebied en is afhankelijk van rijp bos met oude bomen voor nestholtes, en is daardoor gevoelig voor houtkap in de Sierra Madre Occidental.

Wetenschappelijke naam

Euptilotis neoxenus | (Gould, 1838)

Gould beschreef de soort in 1838 als Trogon neoxenus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Euptilotis werd in 1858 ingevoerd door Gould. Euptilotis is Grieks, van eu 'fraai', ptilon 'veer' en -ōtis 'geoord': 'met fraai bevederde oren', naar de pluimpjes achter het oog. neoxenus is Grieks, van neos 'nieuw' en xenos 'vreemdeling, gast': 'nieuwe vreemdeling'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mexico.