Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Gevlekte towie

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Gevlekte towie | Pipilo maculatus

Spotted Towhee | Toquí moteado

De gevlekte towie is een grote, langstaartige gors met een zwarte kop, roestbruine flanken en witte vlekken op rug en vleugels. Hij leeft op de grond in de ondergroei van berg- en eikenbos en krabt het strooisel om met beide poten tegelijk. In het gidsgebied is hij een standvogel van de hooglanden van het noorden en midden van Mexico.

Gevlekte towie (Pipilo maculatus)
Foto: Becky Matsubara from El Sobrante, California — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een rasperig, stijgend of dalend zjrèè, vaak vanuit dichte begroeiing. De zang is een korte, droge triller, soms voorafgegaan door één of enkele losse tonen.

Luister: ZangXC1152106

Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

17–21 cm. Mannetje met zwarte kop, keel en borst, rood oog en zwarte bovendelen met witte vlekken op schouders en vleugeldekveren en twee witte vleugelstrepen. Flanken roestbruin, buikmidden wit. Lange zwarte staart met witte hoeken, vooral in de vlucht te zien. Het vrouwtje lijkt op het mannetje, maar is op kop en bovendelen donker grijsbruin in plaats van zwart. Jonge vogels zijn bruin en dicht gestreept. Vogels uit de hybridezone in Midden-Mexico kunnen een olijfgroene rug, een witte keel of een vage borstband hebben.

Verwarrings­soorten

De kraagtowie Pipilo ocai van de hooglanden van Midden- en Zuid-Mexico heeft een roestrode kruin, een witte keel, een zwarte borstband en een olijfgroene rug zonder witte vlekken; waar beide soorten samen voorkomen ontstaan veel tussenvormen. De zwartkopdwerglijster Catharus mexicanus en andere lijsters missen de roestbruine flanken en de witte vlekken. De grijze junco Junco hyemalis is kleiner, met een roze snavel en witte buitenste staartpennen.

Leefgebied

Ondergroei en randen van pijn-eikenbos, eikenbos en naaldbos in de bergen, chaparral, ruig struikgewas en verwilderde tuinen, meestal tussen ongeveer 1500 en 3500 m; in Baja California ook lager. Zoekt op de grond naar zaden, insecten en bessen. Het nest ligt op of vlak boven de grond onder dichte struiken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Van het zuidwesten van Canada door het westen van de Verenigde Staten. In het gidsgebied in de bergen van het noorden van Baja California en in de hooglanden van de Sierra Madre Occidental en Oriental zuidwaarts door de Transmexicaanse Vulkanengordel tot in Oaxaca. In de winter ook in laaggelegen gebieden van het noorden van Mexico.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vaak het eerst te horen aan het geritsel in het strooisel onder struiken; in de vroege ochtend zingt het mannetje vanaf een open tak boven het struikgewas.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Algemeen en wijdverbreid.

Wetenschappelijke naam

Pipilo maculatus | Swainson, 1827

Swainson beschreef de soort in 1827 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Pipilo werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Pipilo is Latijn voor 'ik tjilp', van pipilare 'tjilpen, piepen', naar de roep. maculatus is Latijn voor 'gevlekt', naar de witte vlekken op vleugels en mantel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Real del Monte, Hidalgo, Mexico.