Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Kraagtowie

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Kraagtowie | Pipilo ocai

Collared Towhee | Toquí de collar

De kraagtowie is een grote towie van de hooglanden van Midden- en Zuid-Mexico, met een roestrode kruin, een witte keel, een zwarte borstband en een olijfgroene rug. Hij leeft op de grond in de ondergroei van berg- en nevelwoud. Waar zijn verspreidingsgebied grenst aan dat van de gevlekte towie, kruisen beide soorten op grote schaal.

Kraagtowie (Pipilo ocai)
Foto: Mexfant Maravilloso — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

De roep is een dun tsiet en een miauwend, rasperig geluid. De zang is een reeks heldere, herhaalde fluittonen, vaak met een trillend slot.

Luister: ZangXC927919

Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

20–22 cm. Kruin en nek roestrood; voorhoofd en gezicht zwart, met bij sommige vormen een witte vlek boven de snavel of een witte wenkbrauwstreep. Keel wit, begrensd door een brede zwarte borstband. Bovendelen, vleugels en lange staart olijfgroen. Borst en flanken grijs tot olijfgrijs, buikmidden wit. Snavel zwart, oog roodbruin. De seksen zijn gelijk. In de hybridezone met de gevlekte towie komen vogels voor met een zwartere kop, witte vlekken op de vleugels of roestbruine flanken.

Verwarrings­soorten

De gevlekte towie Pipilo maculatus heeft een geheel zwarte kop en borst zonder witte keel, roestbruine flanken en witte vlekken op rug en vleugels. De groenstaarttowie Pipilo chlorurus is kleiner en slanker, met een grijze borst zonder zwarte band. De bruinkapstruikgors Arremon brunneinucha heeft een kastanjebruine kruin, een opgezette witte keel en een smalle zwarte borstband, maar is kleiner, met een donkerder rug en een gezicht met witte vlekjes op het voorhoofd.

Leefgebied

Ondergroei, randen en open plekken van pijn-eikenbos, nevelwoud en hooggelegen naaldbos, vooral met dicht struikgewas, meestal tussen ongeveer 1500 en 3500 m. Zoekt op de grond naar zaden, insecten en vruchten en krabt daarbij met beide poten in het strooisel.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor Mexico en daarmee voor het gidsgebied: hooglanden van Jalisco, Colima en Michoacán oostwaarts door de Transmexicaanse Vulkanengordel tot Puebla en het westen van Veracruz, en zuidwaarts in de Sierra Madre del Sur van Guerrero en Oaxaca.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vaak te vinden langs bosranden en open plekken met struikgewas op de Nevado de Colima en in de bergen rond Oaxaca; vroeg in de ochtend zingt hij vanaf een lage, open tak.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Plaatselijk vrij algemeen; houtkap en omzetting van bergbos naar landbouwgrond zijn de belangrijkste knelpunten.

Wetenschappelijke naam

Pipilo ocai | (Lawrence, 1865)

Lawrence beschreef de soort in 1865 als Buarremon ocai; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pipilo werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Pipilo is Latijn voor 'ik tjilp', van pipilare 'tjilpen, piepen', naar de roep. ocai eert de Mexicaanse kunstenaar en natuuronderzoeker Rafael Montes de Oca (19e eeuw), die vogels verzamelde rond Jalapa. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Las Vigas, Veracruz, Mexico.