Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Roodkapstruikgors

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Roodkapstruikgors | Atlapetes pileatus

Rufous-capped Brushfinch | Atlapetes gorra rufa

De roodkapstruikgors is een middelgrote struikgors met een roestrode kap, een olijfgrijze rug en gele onderdelen. Hij leeft in paren of kleine groepjes in de ondergroei van bergbos en struikgewas en sluit zich geregeld aan bij gemengde foerageergroepen. De soort is endemisch voor Mexico en komt dus alleen in het gidsgebied voor.

Roodkapstruikgors (Atlapetes pileatus)
Foto: dominic sherony — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een hoog, dun tsit, vaak herhaald door de leden van een groepje. De zang is een korte, snelle reeks hoge, kwetterende en piepende tonen.

Luister: ZangXC813976

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

15–17 cm. Kruin en nek roestrood; voorhoofd en gezicht donkergrijs tot zwartachtig. Bovendelen, vleugels en staart olijfgrijs. Keel en onderdelen geel, op de flanken olijf getint. Snavel kegelvormig en donker, poten roze-bruin. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn bruiner, met een doffere kap en gestreepte onderdelen.

Verwarrings­soorten

De roodkapzanger Basileuterus rufifrons heeft ook een roestrode kap, maar is kleiner en slanker, met een dunne snavel, een witte wenkbrauwstreep en een vaak opgestoken staart. De witnekstruikgors Atlapetes albinucha heeft een zwarte kop met een witte middenkruinstreep. De bruinkapstruikgors Arremon brunneinucha is groter en heeft een witte keel met een zwarte borstband.

Leefgebied

Ondergroei, bosranden en open plekken met struikgewas in pijn-eikenbos, eikenbos, sparren- en dennenbos en nevelwoud, ook ruig struikgewas en oude kapvlakten, meestal tussen ongeveer 1500 en 3500 m. Zoekt laag in struiken en op de grond naar insecten, zaden en bessen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor Mexico en daarmee voor het gidsgebied: hooglanden van de Sierra Madre Occidental vanaf Chihuahua en Sonora en van de Sierra Madre Oriental vanaf Nuevo León en Tamaulipas, zuidwaarts door de Transmexicaanse Vulkanengordel tot in de bergen van Guerrero en Oaxaca.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Geregeld te zien in de ondergroei langs bospaden in Nationaal Park El Chico in Hidalgo en op de hellingen van de Nevado de Colima, vaak in gemengde groepen met zangers en struikgorzen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Algemeen in de bergbossen van Mexico.

Wetenschappelijke naam

Atlapetes pileatus | Wagler, 1831

Wagler beschreef de soort in 1831 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Atlapetes voerde hij in datzelfde werk in. Atlapetes combineert de Titan Atlas uit de Griekse mythologie, die in een berg veranderde, met Grieks petēs 'vlieger': een 'bergvlieger', naar de berghabitat. pileatus is Latijn voor 'met een kapje', naar de roestrode kruin. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mexico (niet nader bepaald).