Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Groene heremietkolibrie

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores

Groene heremietkolibrie | Phaethornis guy

Green Hermit | Ermitaño verde

De groene heremietkolibrie is een grote, donkere heremiet met een lange, gebogen snavel en verlengde middelste staartpennen, die in de ondergroei van het voetheuvel- en bergbos van Costa Rica en Panama leeft. Mannetjes zingen in groepen op vaste plekken in het bos, zogeheten leks, waar ze met de staart wippen om vrouwtjes te lokken. Hij leeft hoger dan de andere heremieten van het gidsgebied.

Groene heremietkolibrie (Phaethornis guy)
Foto: Mike Baird — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een luid zurk, vaak in de vlucht. In de lek herhaalt elk mannetje lange tijd een eenvoudig, krassend swaark.

Luister: ZangXC1173344

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm zonder de verlengde, witgetipte middelste staartpennen, die nog ongeveer 2 cm voorbij de staart uitsteken. De snavel is lang, ongeveer 4 cm, en gebogen, met een zwarte bovensnavel en een rode ondersnavel. Het mannetje is donkergroen met een blauwgroene stuit; over het oog loopt een zwart masker, afgezet door een buffkleurige streep erboven en een buffkleurige baardstreep, en midden over de keel loopt een lichte streep. Het vrouwtje is van onder grijs in plaats van groen en heeft een langere snavel en langere middelste staartpennen.

Verwarrings­soorten

De westelijke langstaartheremietkolibrie Phaethornis longirostris leeft meestal lager, is bronsgroen tot olijf van boven met een buffkleurig geschubde stuit, heeft grijsbruine tot buffkleurige onderdelen en een gele ondersnavel. De kleine streepkeelheremietkolibrie Phaethornis striigularis is veel kleiner en kaneelkleurig van onder. De bleke heremietkolibrie Phaethornis anthophilus van het oosten van Panama heeft witachtige onderdelen en een minder gebogen snavel. De haaksnavelkolibrie Eutoxeres aquila heeft een sterk haakvormige snavel en gestreepte onderdelen.

Leefgebied

Ondergroei van vochtig voetheuvelbos en bergregenwoud, vaak in ravijnen en langs beken, en de randen van zulk bos, ongeveer van 500 tot 2000 m, plaatselijk lager. Ook schaduwrijke koffieplantages en tuinen aan de bosrand. Foerageert langs een vaste route aan heliconia's en andere bloemen met een lange kelk, en eet daarnaast kleine geleedpotigen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In Costa Rica in de voetheuvels en middelste hoogten van de Caribische helling, in de Cordillera de Talamanca en aan de Pacifische kant van de Cordillera de Tilarán en de Talamanca. In Panama in de bergen en voetheuvels van Chiriquí, Bocas del Toro, Veraguas en Coclé, rond Cerro Azul en in de bergen van Darién. In geschikt bos vrij algemeen. Buiten het gidsgebied in het noorden van Colombia en Venezuela, op Trinidad en langs de oostelijke Andeshellingen tot in Peru.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Langs bospaden in de voetheuvels van Costa Rica en bij lodges met heliconia's aan de bosrand; in Panama rond El Valle de Antón en Cerro Azul. De vogel verschijnt vaak plotseling voor een heliconia en schiet dan weer weg, maar keert op zijn route terug; een lek is te vinden door het aanhoudende geroep van de mannetjes te volgen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen in geschikt bos, maar afhankelijk van bos met een goed ontwikkelde ondergroei.

Wetenschappelijke naam

Phaethornis guy | (Lesson, 1833)

Lesson beschreef de soort in 1833 als Trochilus Guy; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phaethornis werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Phaethornis is Grieks, van phaethōn 'zon, stralend' en ornis 'vogel': 'zonnevogel'. guy eert J. Guy (fl. 1833), een Franse amateurverzamelaar; mogelijk dezelfde als de Franse preparateur Claude-Joseph Guy. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Venezuela (oorspronkelijk abusievelijk 'Brazilië').