Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Westelijke langstaartheremietkolibrie
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores
Westelijke langstaartheremietkolibrie | Phaethornis longirostris
Long-billed Hermit | Ermitaño piquilargo
De westelijke langstaartheremietkolibrie is de heremiet die in het vochtige laagland van het gidsgebied het meest wordt gezien en vooral gehoord. Mannetjes verzamelen zich in leks in de ondergroei, waar ze urenlang dezelfde schelle toon herhalen. Vroeger werd de soort samen met de oostelijke langstaartheremietkolibrie Phaethornis superciliosus van het Amazonegebied en de mexicaanse heremietkolibrie van West-Mexico als één soort beschouwd.
Geluid
De roep is een scherp skwiek, vaak in de vlucht. In de lek herhaalt elk mannetje lange tijd een schel, kort skwiek of skwee-ik, terwijl het met de staart wipt; een lek met tientallen mannetjes is van ver te horen.
Opname: Niels Krabbe — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm zonder de verlengde, witgetipte middelste staartpennen, die nog ongeveer 2 cm voorbij de staart uitsteken. De snavel is lang, ongeveer 4 cm, en gebogen, met een zwarte bovensnavel en een gele tot oranje ondersnavel. De bovendelen zijn bronsgroen tot olijf, met buffkleurig geschubde stuit en bovenstaartdekveren. De onderdelen zijn grijsbruin tot buffkleurig. Over het oog loopt een zwart masker, afgezet door een buffkleurige streep erboven en een buffkleurige baardstreep, met een donkere keelstreep ertussen. Mannetje en vrouwtje zijn vrijwel gelijk.
Verwarringssoorten
De groene heremietkolibrie Phaethornis guy leeft meestal hoger, is donkergroen met een blauwgroene stuit en heeft een rode ondersnavel. De kleine streepkeelheremietkolibrie Phaethornis striigularis is veel kleiner, kaneelkleurig van onder, met een kortere snavel. De bleke heremietkolibrie Phaethornis anthophilus van het oosten van Panama heeft witachtige onderdelen, een minder gebogen snavel en een minder uitgesproken masker. De bronzen heremietkolibrie Glaucis aeneus en de roodborstheremietkolibrie Glaucis hirsutus zijn roestbruin van onder en hebben geen verlengde middelste staartpennen.
Leefgebied
Ondergroei van vochtig laaglandbos, regenwoud en heuvelbos, galerijbos, oud secundair bos en heliconiabosjes langs beken en bosranden, van zeeniveau tot ongeveer 1000 m, plaatselijk tot 1500 m. Ook in schaduwrijke cacao- en koffieplantages aan de bosrand. Foerageert langs een vaste route aan heliconia's, Costus en andere bloemen met een lange kelk. Het kegelvormige nest hangt aan de onderkant van de punt van een palmblad of heliconiablad.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
In Mexico aan de Golfkant van het zuiden van Veracruz en het noorden van Oaxaca via Tabasco tot Chiapas en het zuiden van Campeche, en verder via Belize, Guatemala, Honduras en Nicaragua, tot Nicaragua vooral aan de Caribische kant. In Costa Rica en Panama aan beide kanten van het land, aan de Pacifische kant vooral in het zuiden van Costa Rica en verder in Panama. Algemeen. Buiten het gidsgebied in het noorden van Colombia en Venezuela en langs de Pacifische kant tot het westen van Ecuador en het noordwesten van Peru.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Een lek is in het bos meestal eerder te horen dan te zien: het aanhoudende skwiek van de mannetjes klinkt langs bospaden als de Pipeline Road in het Kanaalgebied van Panama, rond La Selva in Costa Rica en in het bos van Tikal en Palenque. Bij bloeiende heliconia's langs een pad keert de vogel op zijn route regelmatig terug.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Wijdverbreid en algemeen; verdraagt secundair bos, maar verdwijnt waar de ondergroei verdwijnt.
Wetenschappelijke naam
Phaethornis longirostris | (Delattre, 1843)
Delattre beschreef de soort in 1843 als Ornismya longirostris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phaethornis werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Phaethornis is Grieks, van phaethōn 'zon, stralend' en ornis 'vogel': 'zonnevogel'. longirostris is Latijn, van longus 'lang' en rostrum 'snavel', naar de lange, gebogen snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Guatemala.





