Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Grote kuiftiran

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Grote kuiftiran | Myiarchus crinitus

Great Crested Flycatcher | Papamoscas viajero

De grote kuiftiran is een grote, contrastrijke Myiarchus-tiran die in het oosten van Noord-Amerika broedt en in het gidsgebied overwintert, van het zuiden van Mexico tot Panama. Met zijn donkergrijze borst, felgele buik en roodbruine staart is hij de kleurrijkste van de groep.

Grote kuiftiran (Myiarchus crinitus)
Foto: Mike's Birds — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, stijgend wiiep en een rollend prrrrt; ook in het winterkwartier vaak te horen.

Luister: ZangXC1036369

Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

17–21 cm. Kop en rug olijfbruin, kruin licht opgezet. Vleugels donker met lichte vleugelstrepen, roodbruine randen aan de handpennen en een witte rand aan de binnenste tertial. Staart met veel roodbruin. Keel en borst vrij donker grijs, scherp afgezet tegen de helder gele buik. Snavel zwart met een lichte, vaak roze basis van de ondersnavel. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De cayennetiran Myiarchus tyrannulus heeft een lichtere grijze keel en borst, een bleker gele buik en een geheel donkere, zwaardere snavel. De panamese tiran Myiarchus panamensis heeft weinig roodbruin in vleugels en staart. De donkerkaptiran Myiarchus tuberculifer is kleiner, met een donkere kap en weinig roodbruin in de staart.

Leefgebied

In de winter vooral in vochtig laaglandbos, bosranden, secundair bos, galerijbos, schaduwkoffie en halfopen terrein met hoge bomen. Foerageert hoog in de kronen, vangt insecten vanaf een zitplaats en eet ook veel vruchten.

Verspreiding en trek

Overwintert van het zuidoosten van Mexico (vooral het zuiden van Veracruz en het schiereiland Yucatán) door Midden-Amerika tot Panama; op doortrek ook langs de Golfkust van Mexico. Buiten het gidsgebied broedvogel in het oosten van Noord-Amerika en wintergast tot in Colombia en Venezuela.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter vaak het eerst te horen aan het luide wiiep. De scherpe overgang tussen grijze borst en gele buik en de lichte basis van de ondersnavel onderscheiden hem van de cayennetiran.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen; profiteert in het winterkwartier van bosranden en schaduwplantages.

Wetenschappelijke naam

Myiarchus crinitus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als [Turdus] crinitus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myiarchus werd in 1844 ingevoerd door Cabanis. Myiarchus is Grieks, van muia 'vlieg' en arkhos 'heerser': 'vliegenvorst'. crinitus is Latijn voor 'langharig', naar de borstelige kuif. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.