Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Holenuil
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves
Holenuil | Athene cunicularia
Burrowing Owl | Tecolote llanero
De holenuil is een kleine, langpotige uil van open landschappen die van Canada tot Vuurland voorkomt. Hij leeft op de grond, broedt in holen, vaak verlaten holen van prairiehonden of grondeekhoorns, en is ook overdag actief. In het gidsgebied is hij een standvogel in het noorden en midden van Mexico; vogels uit Noord-Amerika overwinteren in Mexico en in het noorden van Midden-Amerika.
Geluid
De zang van het mannetje is een zacht, tweeledig koe-koeoe, vooral ’s nachts en in de schemering. Bij onrust een snel kwetterend kak-kak-kak. Jongen in het hol maken een sissend geluid dat op het ratelen van een ratelslang lijkt.
Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
19–25 cm, met lange, weinig bevederde poten, een ronde kop zonder oorpluimen, gele ogen en een korte staart. De bovendelen zijn zandbruin met witte vlekken; boven de ogen loopt een witte wenkbrauw en de keel is wit, afgezet met een donkere band. De onderdelen zijn wit met bruine bandering, vooral op de borst. Jonge vogels hebben een egaal okerkleurige buik. Staat vaak rechtop op een heuveltje, een paal of een hek en maakt bij onrust knikkende bewegingen.
Verwarringssoorten
De velduil Asio flammeus leeft ook in open terrein, maar is veel groter, heeft lange vleugels en jaagt laag vliegend. De dwerguilen (Glaucidium) en de cactusuil Micrathene whitneyi zijn kleiner, hebben korte poten en leven in bomen of cactussen. Door de lange poten en het leven op de grond is de holenuil met geen andere uil in het gidsgebied te verwarren.
Leefgebied
Open, droge landschappen met kort gras of kale grond: halfwoestijngrasland, prairiehondkolonies, akkers, weilanden, langs irrigatiekanalen, op vliegvelden en braakliggend terrein en in kustduinen. Broedt in een hol in de grond, meestal een verlaten hol van een zoogdier. Jaagt in de schemering en ’s nachts, maar ook overdag, op insecten, vooral kevers en sprinkhanen, en op muizen, hagedissen en kleine vogels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Standvogel in het noorden en midden van Mexico, vooral in de vlakten en op de hoogvlakten van Baja California, Sonora, Sinaloa, Chihuahua, Durango, Coahuila en Nuevo León, en zuidwaarts tot de hoogvlakte rond Mexico-Stad en in Hidalgo. Een aparte ondersoort leeft als standvogel op Isla Clarión in de Revillagigedo-eilanden. In de winter, van ongeveer oktober tot april, komen er vogels uit Noord-Amerika bij; zij trekken zuidwaarts tot de Golfkust, het zuiden van Mexico, Belize, Guatemala, El Salvador en Honduras, en zelden tot Nicaragua en Costa Rica. Buiten het gidsgebied in het westen van Canada en de Verenigde Staten, in Florida, op de Caribische eilanden en in grote delen van Zuid-Amerika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In het noorden van Mexico is hij het makkelijkst te zien in prairiehondkolonies, bijvoorbeeld in de graslanden rond Janos in Chihuahua, en langs akkers en irrigatiekanalen in de vallei van Mexicali en in Sonora en Sinaloa. Overdag staan de vogels vaak bij de ingang van het hol of op een paaltje. Wintergasten in Midden-Amerika zitten vaak op vliegvelden, braakliggend terrein en in kustduinen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, maar in Noord-Amerika en het noorden van Mexico zijn de aantallen afgenomen door het verdwijnen van prairiehondkolonies, intensievere landbouw en het gebruik van insecticiden. In landbouwgebieden met irrigatiekanalen kan hij plaatselijk talrijk zijn.
Wetenschappelijke naam
Athene cunicularia | (Molina, 1782)
Molina beschreef de soort in 1782 als Strix Cunicularia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Athene werd in 1822 ingevoerd door Boie. Athene verwijst naar de Griekse godin Athena, wier zinnebeeld de uil was. cunicularia is Latijn voor 'mijnwerker, gangengraver' (van cuniculus 'onderaardse gang, konijn'), naar het broeden in holen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Chili.






