Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Kaneelstuitdikbekje

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Kaneelstuitdikbekje | Sporophila torqueola

Cinnamon-rumped Seedeater | Semillero rabadilla canela

Het kaneelstuitdikbekje is een klein zaadetertje van graslanden en akkerranden in het westen van Mexico. Het mannetje heeft een zwarte kop, een witte halsband en kaneelkleurige onderdelen; het vrouwtje is okerbruin. Het is een endemische soort van Mexico en werd tot 2018 samen met het Morelets dikbekje als één soort beschouwd.

Kaneelstuitdikbekje (Sporophila torqueola)
Foto: Laura Gaudette — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een heldere reeks fluitende noten, die vaak eindigt met enkele herhaalde, dalende tonen, vergelijkbaar met die van het Morelets dikbekje. De roep is een zacht, nasaal tsjeh.

Luister: ZangXC1031014

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

10–11 cm. Korte, dikke, ronde snavel, zwartachtig bij het mannetje, hoornkleurig bij het vrouwtje. Het mannetje heeft een zwarte kop en rug, een witte keel en een witte halsband, vaak een smalle zwarte borstband, en kaneelkleurige onderdelen en stuit. De zwarte vleugels hebben een witte vleugelspiegel en smalle witte vleugelstrepen. Het vrouwtje is van boven olijfbruin, van onderen warm okerkleurig, met okerkleurige vleugelstrepen en een okerbruine stuit.

Verwarrings­soorten

Het Morelets dikbekje Sporophila morelleti heeft witte tot licht okergele onderdelen en een grijze of lichte stuit; de vrouwtjes zijn moeilijk te scheiden, maar die van het kaneelstuitdikbekje zijn warmer gekleurd. Het mannetje van het dwergdikbekje Sporophila minuta is grijsbruin van boven zonder zwarte kop of halsband. De witbandsijs Spinus psaltria heeft gele onderdelen en een spitsere snavel.

Leefgebied

Graslanden, ruige bermen, akkerranden, struikgewas langs beken en open plekken in droogbos en doornstruweel, van zeeniveau tot ongeveer 2000 m in de binnenlanden. Leeft in paren of groepen, vaak met andere zaadeters; eet vooral graszaad.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Endemisch in Mexico: aan de Pacifische kant van Sinaloa en Nayarit naar het zuiden tot Oaxaca, en in het binnenland, onder meer in het Balsasbekken en het zuidelijke deel van het centrale hoogland. In het zuiden van Oaxaca grenst het verspreidingsgebied aan dat van het Morelets dikbekje.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De kaneelkleurige stuit en onderdelen zijn bij mannetjes in vlucht en op een zitplaats goed te zien. In grensgebieden met het Morelets dikbekje is het zinvol beide soorten in dezelfde groep te zoeken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Algemeen in geschikt open terrein; wordt gevangen als kooivogel, wat plaatselijk invloed kan hebben op de aantallen.

Wetenschappelijke naam

Sporophila torqueola | (Bonaparte, 1850)

Bonaparte beschreef de soort in 1850 als Spermophila torqueola; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sporophila werd in 1844 ingevoerd door Cabanis. Sporophila is Grieks, van sporos 'zaad' en philos 'liefhebber': 'zaadliefhebber'. torqueola is een verkleinwoord van Latijn torques 'halsband': 'met een halsbandje', naar de donkere borstband. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mexico-Stad.