Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Morelets dikbekje
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Morelets dikbekje | Sporophila morelleti
Morelet's Seedeater | Semillero cuelliblanco
Het Morelets dikbekje is het meest verbreide dikbekje van het gidsgebied, een klein zaadetertje van ruige graslanden, wegbermen en weiland. Het mannetje is zwart-wit met witte vleugelstrepen, het vrouwtje okerbruin. Het leeft vaak in groepen en komt veel voor in door de mens veranderd landschap.
Geluid
De zang is een heldere, gevarieerde reeks fluitende noten, die vaak eindigt met enkele dalende of herhaalde tonen, zoals swiet swiet swiet tsjoe tsjoe. De roep is een zacht, nasaal tsjeh.
Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
10–11 cm. Korte, dikke, ronde snavel, zwartachtig bij het mannetje, hoornkleurig bij het vrouwtje. Het mannetje heeft een zwarte kruin en zwarte wangen, een witte keel en een witte of licht okerkleurige halsband; de rug is zwart tot grijs gevlekt, de stuit licht grijs of okerkleurig. Op de zwarte vleugels liggen twee witte vleugelstrepen en een witte vleugelspiegel. De onderdelen zijn wit tot licht okergeel, met een zwarte borstband die volledig, onderbroken of afwezig kan zijn. Het vrouwtje is van boven olijfbruin, van onderen licht okerkleurig, met twee okerkleurige vleugelstrepen.
Verwarringssoorten
Het kaneelstuitdikbekje Sporophila torqueola in het westen van Mexico heeft een kaneelkleurige stuit en kaneelkleurige onderdelen. Het mannetje van het noordelijk bont dikbekje Sporophila corvina heeft geen vleugelstrepen; het vrouwtje is egaler olijfbruin zonder vleugelstrepen. Het vrouwtje van de jacarinagors Volatinia jacarina is gestreept op de borst en heeft een spitsere snavel. Het mannetje van het dwergdikbekje Sporophila minuta is van onderen roodbruin.
Leefgebied
Ruige graslanden, wegbermen, verwilderde akkers, weiland met struiken, moerasranden, bosranden en dorpen, van zeeniveau tot ongeveer 1500 m. Leeft in groepen, buiten de broedtijd soms van tientallen vogels, vaak met andere zaadeters; eet vooral graszaad.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Van het uiterste zuiden van Texas en het noordoosten van Mexico langs de Caribische kant naar het zuiden, inclusief het schiereiland Yucatán, en verder door heel noordelijk Midden-Amerika tot in het westen van Panama, aan beide kanten van de bergen. Tot 2018 samen met het kaneelstuitdikbekje als één soort beschouwd.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Groepjes zaadeters in hoog gras langs wegen en weilanden zijn het doorzoeken waard; zingende mannetjes zitten vaak op draden of struiken. De vleugelstrepen zijn het beste kenmerk om deze soort van andere dikbekjes te scheiden.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Algemeen en in aantal toegenomen door ontbossing; in Texas zeldzaam en plaatselijk. Wordt gevangen als kooivogel.
Wetenschappelijke naam
Sporophila morelleti | (Bonaparte, 1850)
Bonaparte beschreef de soort in 1850 als Spermophila morelleti; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sporophila werd in 1844 ingevoerd door Cabanis. Sporophila is Grieks, van sporos 'zaad' en philos 'liefhebber': 'zaadliefhebber'. morelleti eert de Franse natuuronderzoeker Pierre Marie Arthur Morelet (1809–1892), die door Yucatán en Guatemala reisde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Petén, Guatemala.





