Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Kleine feetiran

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Kleine feetiran | Empidonax minimus

Least Flycatcher | Mosquero mínimo

De kleine feetiran is de kleinste Empidonax-tiran uit het oosten van Noord-Amerika. Hij broedt in loofbos in Canada en het noorden van de Verenigde Staten en overwintert in het laagland van Mexico en Midden-Amerika. Daar is het een van de gewoonste feetirannen in bosranden, struikgewas en tuinen.

Kleine feetiran (Empidonax minimus)
Foto: Cephas — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een droog, scherp wit. In het voorjaar is soms al de zang te horen: een krachtig, vaak herhaald tsje-BEK.

Luister: AlarmroepXC1014725

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

12–14 cm, met een grote, ronde kop, een korte staart en een korte, brede snavel met een lichte ondersnavel. Bovendelen grijsolijf, kop iets grijzer. Keel wit, borst lichtgrijs, buik witachtig, in vers verenkleed soms licht geel getint. Een opvallende, volledige witte oogring. Vleugels donker met twee duidelijke witte vleugelstrepen; de handpennen steken maar kort voorbij de armpennen uit. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De hammonds feetiran Empidonax hammondii heeft langere vleugels, een smallere, donkerdere snavel en een grijzere keel, en leeft in de winter vooral in hooglandbos. De wilgenfeetiran Empidonax traillii en de elzenfeetiran Empidonax alnorum zijn groter, bruiner, met een langere snavel en een zwakke of ontbrekende oogring. De beukenfeetiran Empidonax virescens is groter en groener, met een langere snavel en langere vleugels. De berkenfeetiran Empidonax flaviventris heeft een gele keel en buik.

Leefgebied

In de winter in bosranden, secundair bos, struikgewas, galerijbos, mangrove, weiland met bomen, plantages en tuinen, vooral in het laagland en de lagere bergen. Zoekt insecten vanaf een lage tot middelhoge tak en trilt vaak met vleugels en staart. Broedt niet in het gidsgebied.

Verspreiding en trek

Broedt in Canada en het noorden en oosten van de Verenigde Staten. Overwintert van het noorden en midden van Mexico, aan beide kusten en op het schiereiland Yucatán, door Belize, Guatemala, Honduras en El Salvador tot Nicaragua; schaarser in Costa Rica en zeldzaam in Panama.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter in Belize, op het schiereiland Yucatán en in het laagland van Guatemala en Honduras een van de feetirannen die het vaakst te zien zijn, laag in bosranden en tuinen. De opvallende oogring, de korte snavel en het droge wit zijn de beste kenmerken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen en wijdverbreid, al is de broedpopulatie in delen van het broedgebied afgenomen.

Wetenschappelijke naam

Empidonax minimus | (Baird & Baird, 1843)

Baird & Baird beschreef de soort in 1843 als Tyrannula minima; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Empidonax werd in 1855 ingevoerd door Cabanis. Empidonax is Grieks, van empis 'mug' en anax 'heerser': 'muggenkoning', naar de insectenjacht. minimus is Latijn voor 'kleinste', naar het geringe formaat. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Carlisle, Pennsylvania (VS).