Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Dennenfeetiran

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Dennenfeetiran | Empidonax affinis

Pine Flycatcher | Mosquero pinero

De dennenfeetiran is een Empidonax-tiran die alleen in de hooglanden van Mexico en Guatemala voorkomt. Hij leeft in dennen- en pijn-eikenbos en lijkt sterk op de feetirannen die daar uit Noord-Amerika overwinteren, maar is er het hele jaar.

Dennenfeetiran (Empidonax affinis)
Foto: Sahid Martin Robles Bello — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een kort, scherp wiet of pwit. De zang is een reeks korte, heldere frasen.

Luister: ZangXC728582

Opname: Scott Olmstead — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm. Snavel vrij breed, met een lichte ondersnavel. Bovendelen olijf tot grijsolijf; keel lichtgrijs tot geelachtig wit, borst olijfgrijs, buik lichtgeel. Een duidelijke witachtige oogring. Vleugels donker met twee lichte, vaak wat geelbruine vleugelstrepen. Er zijn verschillen tussen de ondersoorten: vogels uit het zuiden van het areaal zijn geler en olijfkleuriger dan die uit het noorden. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De hammonds feetiran Empidonax hammondii en de struikfeetiran Empidonax oberholseri zijn grijzer, met minder geel op de onderzijde, en zijn alleen in de winter aanwezig; de hammonds feetiran heeft bovendien een kleine, donkere snavel. De oeverfeetiran Empidonax difficilis is geler op keel en buik, met een oogring die achter het oog in een punt uitloopt. De witkeelfeetiran Empidonax albigularis is bruiner, met een witte keel, en leeft in vochtig struikgewas.

Leefgebied

Dennen- en pijn-eikenbos en de randen daarvan in de bergen, vooral tussen ongeveer 1800 en 3500 m, ook open bos met een ondergroei van struiken en grassen. Vangt insecten vanaf takken in het middenniveau en de lagere kronen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Alleen in het gidsgebied: de hooglanden van Mexico, van de Sierra Madre Occidental en de Sierra Madre Oriental via de Trans-Mexicaanse Vulkanengordel en de Sierra Madre del Sur tot Chiapas, en verder in de hooglanden van Guatemala.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter, als de noordelijke feetirannen ook aanwezig zijn, is de soort lastig te herkennen; in het broedseizoen, van april tot juli, is elke feetiran die in hoog dennenbos zingt waarschijnlijk deze soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Plaatselijk vrij algemeen in pijnbos en pijn-eikenbos; gevoelig voor kap van bergbos.

Wetenschappelijke naam

Empidonax affinis | (Swainson, 1827)

Swainson beschreef de soort in 1827 als Tyrannula affinis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Empidonax werd in 1855 ingevoerd door Cabanis. Empidonax is Grieks, van empis 'mug' en anax 'heerser': 'muggenkoning', naar de insectenjacht. affinis is Latijn voor 'verwant', naar de gelijkenis met andere feetirannen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Temascaltepec, staat México, Mexico.