Alle soorten › Hoenderachtigen › Tandkwartels › Langpootkwartel

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Eend- en hoendervogels Galloanserae

Langpootkwartel | Rhynchortyx cinctus

Tawny-faced Quail | Codorniz carirrufa

De langpootkwartel is een kleine, hoogpotige kwartel van de bosbodem van nat laaglandbos, van het oosten van Honduras tot Panama. Hij is de enige soort in zijn geslacht en wijkt met zijn lange poten en korte staart af van de andere kwartels van het gidsgebied. De soort leeft verborgen en wordt veel vaker gehoord dan gezien.

Langpootkwartel (Rhynchortyx cinctus)
Foto: Carmelo López Abad — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een reeks zuivere, eentonige fluittonen, gevolgd door een reeks fluittonen op een lagere of hogere toonhoogte, vooral in de schemering en bij het opzoeken van de slaapplaats. Leden van een groepje houden contact met zachte piepjes.

Luister: ZangXC474465

Opname: Jorge Gabriel Campos — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

17–20 cm; een gedrongen kwartel met relatief lange, grijze poten, een forse donkere snavel en een zeer korte staart, zonder kuif. Het mannetje heeft een warm oranjebruin tot taankleurig gezicht met een donkere oogstreep, een donkerbruine kruin en achterhals, een grijze keel en bovenborst en okerbruine onderdelen. De bovendelen zijn grijsbruin met zwarte streepjes en fijne tekening. Het vrouwtje is bruiner, met een roodbruin gezicht en bovenborst, een witte wenkbrauwstreep en witte keel, en een bleke onderborst en buik met zwarte bandering. In het gidsgebied leven R. c. pudibundus (Honduras, bleker) en R. c. cinctus (Nicaragua tot Panama); in het oosten van Panama sluit R. c. australis aan.

Verwarrings­soorten

Tandkwartels zoals de gemarmerde tandkwartel Odontophorus gujanensis en de zwartborsttandkwartel Odontophorus leucolaemus zijn groter en donkerder, hebben een kuif en leven in grotere groepjes. De zangkwartel Dactylortyx thoracicus heeft eveneens een gekleurd gezicht, maar een langere staart en kortere poten, en ontbreekt in het grootste deel van het leefgebied van de langpootkwartel. Tinamoes zoals de kleine tinamoe Crypturellus soui hebben een dunne, gebogen snavel en een kleinere kop op een langere hals.

Leefgebied

Vochtig tot nat laaglandbos en heuvelbos, van zeeniveau tot ongeveer 1450 m, vooral in oud bos met een open bodem en weinig ondergroei; plaatselijk ook in ouder secundair bos. Leeft alleen, in paartjes of kleine groepjes op de bosbodem en zoekt tussen het bladstrooisel naar zaden, vruchten en ongewervelde dieren. Overnacht laag in struiken of jonge bomen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied in het Caribisch laagland van het oosten van Honduras en Nicaragua, in Costa Rica vooral aan de Caribische kant, en in Panama, met de meeste waarnemingen in het midden en oosten tot in Darién. Buiten het gidsgebied in het noordwesten van Colombia en het westen van Ecuador.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De soort is vooral te vinden door in de schemering op de fluitende roep te letten, bijvoorbeeld langs de paden van grote laaglandbossen in het Caribisch deel van Costa Rica en in Darién in Panama. Een verraste vogel drukt zich of loopt snel weg en vliegt zelden op.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De soort is in een groot deel van het gebied zeldzaam en heeft te lijden onder ontbossing en jacht. Waar groot, aaneengesloten laaglandbos overblijft, komt hij nog plaatselijk voor.

Wetenschappelijke naam

Rhynchortyx cinctus | (Salvin, 1876)

Salvin beschreef de soort in 1876 als Odontophorus cinctus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Rhynchortyx werd in 1893 ingevoerd door Ogilvie-Grant. Rhynchortyx is Grieks, van rhunkhos 'snavel' en ortux 'kwartel', naar de relatief forse snavel. cinctus is Latijn voor 'omgord', naar de band over de borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Veraguas, west-Panama.