Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Lazuligors
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Lazuligors | Passerina amoena
Lazuli Bunting | Colorín lázuli
De lazuligors is een kleine gors uit het westen van Noord-Amerika. Het mannetje heeft een turkooisblauwe kop en rug, een oranjebruine borst en witte vleugelstrepen. In het gidsgebied broedt hij alleen in het noorden van Baja California; in de winter is hij vrij algemeen in droog struikgewas en ruige velden in het westen van Mexico.
Geluid
De zang is een snelle, wat krassende reeks gevarieerde noten, deels in paren, die soms eindigt in een zoemend toontje. De roep is een scherp spik, de vluchtroep een zoemend zziet.
Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
13–14 cm. Korte, kegelvormige grijze snavel. Het mannetje in prachtkleed heeft een turkooisblauwe kop, keel, rug en stuit, een kaneeloranje borstband, witte flanken en buik en een brede witte bovenste vleugelstreep met een smallere tweede eronder. In winterkleed is het blauw deels bedekt door bruine veerranden. Het vrouwtje is grijsbruin van boven met een blauwgrijze zweem op stuit en staart, een ongestreepte okerkleurige borst, een witachtige buik en twee lichte vleugelstrepen.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje van de indigogors Passerina cyanea is warmer bruin met vage strepen op de borst en minder duidelijke vleugelstrepen; de soorten kruisen soms waar hun broedgebieden elkaar raken. De blauwkeelsialia Sialia mexicana en de roodkeelsialia Sialia sialis zijn groter, met een dunne snavel en een rechtopstaande houding. Het vrouwtje van de veelkleurengors Passerina versicolor is egaal grijsbruin zonder duidelijke vleugelstrepen.
Leefgebied
In de winter droog en halfdroog struikgewas, doornstruweel, halfwoestijngrasland, ruige velden, heggen en akkerranden, vaak in groepjes met andere zaadeters; van zeeniveau tot ongeveer 2000 m. Broedt in struikrijke hellingen, chaparral en struikgewas langs beken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt in het westen van Noord-Amerika, van het zuiden van Canada tot het noorden van Baja California. Na de broedtijd trekken veel vogels eerst naar het zuidwesten van de Verenigde Staten en het noordwesten van Mexico om daar te ruien. Overwintert in het westen van Mexico, van Sonora en het zuiden van Baja California tot Guerrero en Oaxaca, landinwaarts tot het centrale plateau. Op doortrek verspreid in het noordwesten van Mexico.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter vaak in groepjes met andere gorzen in ruige velden en langs akkers aan de Pacifische kant van Mexico; bij bruine vogels zijn de witte vleugelstrepen en de okerkleurige borst de beste kenmerken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Algemeen en wijdverbreid; de populatie lijkt stabiel.
Wetenschappelijke naam
Passerina amoena | (Say, 1822)
Say beschreef de soort in 1822 als Emberiza amoena; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passerina werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Passerina komt van het Latijnse passerinus 'musachtig', bij passer 'mus'. amoena is Latijn voor 'lieflijk, bekoorlijk', naar het fraaie blauw-oranje-witte mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Cañon City, Colorado (VS).






