Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Leigrijs dikbekje

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Leigrijs dikbekje | Sporophila schistacea

Slate-colored Seedeater | Semillero pizarroso

Het leigrijs dikbekje is een dikbekje van bosranden en het kronendak van vochtig bos, dat sterk afhankelijk is van bloeiend bamboe. Het mannetje is leigrijs met een gele snavel, het vrouwtje olijfbruin. In het gidsgebied is het onregelmatig en meestal schaars; het verschijnt plotseling in groten getale waar bamboe zaad geeft en verdwijnt daarna weer.

Leigrijs dikbekje (Sporophila schistacea)
Foto: Alejandro Bayer Tamayo — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een snelle, hoge en droge reeks zoemende en tsjilpende noten, vaak met een metaalachtige triller. De roep is een kort, hoog tsip.

Luister: ZangXC1094477

Opname: William Adsett — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm. Korte, dikke snavel, helder geel tot oranjegeel bij het mannetje, donker bij het vrouwtje. Het mannetje is egaal donker leigrijs, met een wit vlekje aan de zijkant van de hals, een kleine witte vleugelspiegel en een witachtig midden van de buik. Het vrouwtje is egaal olijfbruin, van onderen iets lichter en geliger, zonder vleugelstrepen.

Verwarrings­soorten

Het indigodikbekje Amaurospiza concolor is donker blauwachtig met een donkere snavel en leeft laag in bamboe. Het mannetje van het noordelijk bont dikbekje Sporophila corvina is zwart of zwart-wit met een zwarte snavel. De leikleurige musgors Haplospiza rustica heeft een spitse donkere snavel. Vrouwtjes zijn moeilijk te scheiden van andere vrouwelijke dikbekjes; in bamboe en in het kronendak is het leigrijs dikbekje de meest waarschijnlijke soort.

Leefgebied

Randen en open plekken van vochtig laaglandbos en heuvelbos, vooral bij bloeiend bamboe; zoekt ook voedsel in het kronendak en in hoog struikgewas langs bosranden. Meestal tot ongeveer 1500 m. Eet vooral zaden van bamboe en grassen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Verspreid en onregelmatig van het zuiden van Mexico en Belize door Midden-Amerika tot Panama, met de meeste waarnemingen in Costa Rica en Panama. Daarbuiten in het noorden en midden van Zuid-Amerika. Door de afhankelijkheid van bloeiend bamboe zijn de aantallen per jaar zeer wisselend.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Berichten over bloeiend bamboe in bosgebieden zijn het beste aanknopingspunt; op zulke plekken zijn dan ook andere bamboespecialisten te verwachten. Mannetjes zingen vaak vanaf hoge, kale takken in het kronendak.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Wijdverspreid maar schaars en onregelmatig; afhankelijk van bos met bamboe, dat door ontbossing kleiner wordt.

Wetenschappelijke naam

Sporophila schistacea | (Lawrence, 1862)

Lawrence beschreef de soort in 1862 als Spermophila schistacea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sporophila werd in 1844 ingevoerd door Cabanis. Sporophila is Grieks, van sporos 'zaad' en philos 'liefhebber': 'zaadliefhebber'. schistacea is modern Latijn voor 'leikleurig', naar het leigrijze verenkleed van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Lion Hill aan de Panamaspoorlijn, Panama.