Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Lewis' specht

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Muisvogels, scharrelaars en spechten Coraciimorphae › Trogons en holenbroeders Cavitaves › Neushoornvogels, ijsvogels en spechten Picocoraciae › IJsvogels, bijeneters en spechten Picodynastornithes

Lewis' specht | Melanerpes lewis

Lewis's Woodpecker | Carpintero de Lewis

Lewis' specht is een grote, donkere specht van open bos in het westen van Noord-Amerika, die in vlucht eerder op een kraai dan op een specht lijkt en veel insecten in de lucht vangt. In het gidsgebied is hij een onregelmatige wintergast in het noorden van Mexico, in sommige jaren in kleine groepjes en in andere jaren nauwelijks. De naam eert Meriwether Lewis, die de soort in 1805 tijdens zijn expeditie naar het westen verzamelde.

Lewis' specht (Melanerpes lewis)
Foto: wackybadger — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. Soms een zacht, schor tsjurr of een droog tsjik-reeksje; het roffelen is zwak en kort en wordt zelden gehoord.

Luister: RoepXC786998

Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

26–28 cm, een grote specht met brede, afgeronde vleugels. Kop, rug, vleugels en staart zijn donker groenachtig zwart met een metaalglans. Het gezicht is donkerrood, de hals en de borst zilvergrijs als een brede kraag, de buik roze-rood. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk. Jonge vogels zijn bruiner, zonder rood gezicht en grijze kraag, met een vaag roze buik. In vlucht valt de egaal donkere bovenkant op, zonder witte stuit of witte vleugelvlekken; hij vliegt met langzame, rechtlijnige vleugelslagen.

Verwarrings­soorten

Geen andere specht in het gidsgebied is zo donker en egaal gekleurd. De eikelspecht Melanerpes formicivorus vangt ook insecten in de lucht, maar heeft een zwart-wit gezicht, een witte stuit en witte vleugelvlekken. In vlucht kan hij op afstand met een kraai of een kleine roofvogel verward worden; de grijze kraag en de roze buik zijn dan beslissend.

Leefgebied

In de winter open eikenbos en pijn-eikenbos, oeverbos met populieren en walnoot, boomgaarden en weiland met verspreide bomen. Zit graag op een uitkijkpost op een dode tak of een paal en vangt vliegende insecten in de lucht. In de winter eet hij vooral eikels, noten en vruchten, die hij in spleten in de schors of in palen opslaat en verdedigt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Onregelmatige wintergast in het noorden van Baja California, Sonora en Chihuahua, en zeldzaam zuidelijker tot Durango, Sinaloa en Coahuila. Het aantal wisselt sterk van jaar tot jaar. Buiten het gidsgebied broedend in het westen van de Verenigde Staten en het zuiden van Brits-Columbia, en overwinterend vooral in het zuidwesten van de Verenigde Staten.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In winters met een goede eikeloogst in eikenbos en boomgaarden in het noorden van Sonora en Chihuahua, waar hij vaak hoog op een dode tak zit. In vlucht op afstand te herkennen aan het donkere silhouet met brede vleugels en het rechtlijnige, kraaiachtige vliegen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in delen van het broedgebied achteruitgegaan door het verdwijnen van open bos met oude en dode bomen en door een tekort aan geschikte nestbomen.

Wetenschappelijke naam

Melanerpes lewis | (Gray, 1849)

Gray beschreef de soort in 1849 als Picus Lewis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Melanerpes werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Melanerpes is Grieks, van melas 'zwart' en herpēs 'kruiper': 'zwarte kruiper'. lewis eert de Amerikaanse ontdekkingsreiziger Meriwether Lewis (1774–1809) van de expeditie van Lewis en Clark, die de eerste exemplaren verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Montana (Verenigde Staten).