Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Roodborstsapspecht
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Muisvogels, scharrelaars en spechten Coraciimorphae › Trogons en holenbroeders Cavitaves › Neushoornvogels, ijsvogels en spechten Picocoraciae › IJsvogels, bijeneters en spechten Picodynastornithes
Roodborstsapspecht | Sphyrapicus ruber
Red-breasted Sapsucker | Chupasavia pechirrojo
De roodborstsapspecht is de sapspecht van de Pacifische kust van Noord-Amerika en heeft als enige sapspecht een geheel rode kop en borst. In het gidsgebied broedt hij in de bergen van het noorden van Baja California; in de winter komt hij daar ook lager en bij uitzondering verder zuidelijk voor. Net als andere sapspechten boort hij rijen gaatjes in de schors en drinkt het sap dat eruit loopt.
Geluid
Een nasaal, miauwend njèèh, zoals bij de andere sapspechten. Het roffelen heeft het typische sapspechtritme: een snelle aanloop gevolgd door enkele losse, langzamere tikken.
Opname: Denise Wight — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
20–22 cm. Kop, keel en borst zijn rood, met een lichte vlek tussen snavel en oog. De rug is zwart met lichte vlekken, de buik lichtgeel met donkere vlekjes op de flanken, de stuit wit. Een lange witte vleugelstreep is ook bij zittende vogels zichtbaar. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk. De vogels van Baja California en Californië hebben een iets minder rode kop, waarin vaak nog een vage zwart-witte koptekening te zien is. Jonge vogels zijn bruinachtig zonder rood, met de witte vleugelstreep.
Verwarringssoorten
De roodneksapspecht Sphyrapicus nuchalis en de geelbuiksapspecht Sphyrapicus varius hebben een duidelijke zwart-witte koptekening met rood op kruin en keel en een zwarte borstband in plaats van een rode borst. Hybriden met de roodneksapspecht hebben een tussenliggende koptekening. Jonge vogels lijken op jonge geelbuiksapspechten, maar zijn donkerder en minder getekend.
Leefgebied
Broedt in gemengd naaldbos in de bergen, vaak bij espen of in vochtige dalen. In de winter ook in eikenbos, oeverbos, boomgaarden en tuinen op lagere hoogten. Eet sap en insecten uit zijn putjes en daarnaast vruchten en bessen. Broedt in holen die hij in levende of dode bomen uithakt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedvogel in de Sierra Juárez en de Sierra San Pedro Mártir in het noorden van Baja California, en daar ook in de winter, deels op lagere hoogten. In de winter zeldzaam elders in het noordwesten van Baja California en uitzonderlijk in Sonora. Buiten het gidsgebied broedend van het zuidoosten van Alaska langs de Pacifische kust en in de Sierra Nevada tot het zuiden van Californië.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de broedtijd in het naaldbos van de Sierra San Pedro Mártir. Verse rijen gaatjes in de schors verraden de aanwezigheid; een boom met natte sapputjes wordt steeds opnieuw bezocht.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De populatie in Baja California is klein en geïsoleerd.
Wetenschappelijke naam
Sphyrapicus ruber | (Gmelin, 1788)
Gmelin beschreef de soort in 1788 als Picus ruber; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sphyrapicus werd in 1858 ingevoerd door Baird. Sphyrapicus verbindt Grieks sphura 'hamer' met Picus 'specht': 'hamerspecht'. ruber is Latijn voor 'rood', naar de geheel rode kop en borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nootka Sound, Brits-Columbia, Canada (oorspronkelijk abusievelijk als Cayenne vermeld).



