Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Lincolns gors

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Lincolns gors | Melospiza lincolnii

Lincoln's Sparrow | Gorrión de Lincoln

De Lincolns gors is een fijn getekende, wat schuwe gors van vochtige struwelen en ruigten. Hij broedt in het noorden van Noord-Amerika en in het westelijk hooggebergte en overwintert in grote aantallen in Mexico. In het gidsgebied is hij in de winter een van de meest verspreide gorzen.

Lincolns gors (Melospiza lincolnii)
Foto: Andy Morffew from Itchen Abbas, Hampshire, UK — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter vooral een scherp, droog tsjep en een zoemend zieet. De zang, die soms al in het voorjaar in Mexico klinkt, is een snelle, borrelende reeks die doet denken aan een winterkoning.

Luister: VluchtroepXC1152111

Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13–15 cm. Kruin bruin met fijne zwarte strepen en een grijze middenstreep, die bij opwinding een kuifje kan vormen. Gezicht grijs met een smalle bruine oogstreep en een dunne witte oogring. Een okerkleurige snorstreep en een okerkleurige borstband en flanken met scherpe, fijne zwarte streepjes contrasteren met een witte keel en een ongestreepte witte buik. Rug bruin en grijs met zwarte strepen. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De zanggors Melospiza melodia is groter en grover gestreept, met een witte ondergrond op de borst en een brede donkere baardstreep. De moerasgors Melospiza georgiana heeft roestbruine vleugels en een grijze, nauwelijks gestreepte borst. Jonge savannahgorzen Passerculus sandwichensis hebben een kortere, gevorkte staart, missen de okerkleurige borstband en leven in open grasland.

Leefgebied

In de winter dichte, vaak vochtige struwelen en ruigten: overgroeide akkerranden, heggen, bosranden, open plekken in pijn-eikenbos, oeverbegroeiing en verwilderde tuinen, van zeeniveau tot boven 3000 m, vooral in het hoogland. Blijft dicht bij dekking en zoekt op de grond naar zaden en insecten.

Verspreiding en trek

Broedt in Alaska, Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten, en zuidelijk in het westelijk hooggebergte tot Arizona en New Mexico. Overwintert van het zuiden van de Verenigde Staten door bijna heel Mexico tot Guatemala, El Salvador en Honduras; verder zuidelijk zeldzaam. In het gidsgebied het talrijkst op de hoogvlakte en in de bergen van het midden en zuiden van Mexico.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vaak met andere gorzen in ruige akkerranden en heggen in het hoogland. De vogel laat zich het best zien door stil te blijven staan bij de rand van een struweel, waarna hij soms naar een open tak komt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Wijdverbreid en talrijk; de broedgebieden in het noordelijk naaldbos en in bergmoerassen zijn grotendeels intact.

Wetenschappelijke naam

Melospiza lincolnii | (Audubon, 1834)

Audubon beschreef de soort in 1834 als Fringilla Lincolnii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Melospiza werd in 1858 ingevoerd door Baird. Melospiza is Grieks, van melos 'zang' en spiza 'vink'. lincolnii eert Thomas Lincoln (1812–1883), die Audubon in 1833 naar Labrador vergezelde en daar het eerste exemplaar verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit monding van de Natashquan, Quebec (Canada).