Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Marmergrutto

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Marmergrutto | Limosa fedoa

Marbled Godwit | Picopando canelo

De marmergrutto is de grootste grutto van Amerika, een kaneelbruine steltloper met een lange, licht opgewipte snavel. Hij overwintert in groten getale langs de kusten van het noordwesten van Mexico, vooral in de lagunes van Baja California, en in kleiner aantal langs de kusten verder zuidelijk tot in Panama. Op wadplaten foerageert hij vaak in groepen, met de snavel diep in het slik.

Marmergrutto (Limosa fedoa)
Foto: Russ — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, nasaal ka-wek of ker-wek, vaak herhaald, en een lachend ka-ka-ka bij onrust.

Luister: RoepXC741979

Opname: Nancy Salem — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

40–50 cm, waarvan 8–13 cm snavel. De snavel is lang, recht of licht opgewipt, roze aan de basis en donker aan de punt. Het verenkleed is warm kaneelbruin; de bovendelen zijn donker gevlekt en gebandeerd, wat een gemarmerd patroon geeft. In winterkleed zijn de onderdelen vrijwel ongetekend licht kaneel, in broedkleed fijn donker gebandeerd. De poten zijn donker. In de vlucht vallen de kaneelkleurige handpennen en de kaneelrode ondervleugel op; er is geen witte vleugelstreep en geen witte stuit. De seksen zijn gelijk; vrouwtjes zijn groter en hebben een langere snavel.

Verwarrings­soorten

De rode grutto Limosa haemastica is kleiner en in winterkleed grijs, met een witte vleugelstreep, een zwarte ondervleugel en een witte stuit met zwarte staart. De Amerikaanse wulp Numenius americanus heeft dezelfde kleur maar een sterk omlaag gebogen snavel. De Amerikaanse regenwulp Numenius hudsonicus is grijzer en heeft een gebogen snavel en kruinstrepen. De willet Tringa semipalmata is grijs, met een kortere, rechte snavel en een zwart-witte vleugel.

Leefgebied

Wadplaten en modderbanken, estuaria, ondiepe zoute lagunes, zoutpannen en zandstranden met slibrijke delen, soms kwelders en kustweilanden. Foerageert lopend door ondiep water en peurt met de lange snavel diep in het slik naar wormen, schelpdieren en kreeftachtigen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Langs de Pacifische kust van Mexico talrijk, vooral in Baja California en de Golf van Californië, en verder zuidwaarts langs de kust in afnemend aantal tot in Panama, waar de Golf van Panama een vaste overwinteringsplaats is. Langs de Golfkust van Mexico minder talrijk en aan de Caribische kust van Midden-Amerika schaars. Buiten het gidsgebied broedt de soort op de noordelijke prairies van de Verenigde Staten en Canada, met kleine populaties bij de Jamesbaai en in Alaska.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De lagunes van Baja California, zoals die bij Guerrero Negro, en de wadplaten van de Golf van Californië herbergen in de winter grote groepen. Elders in Midden-Amerika voegt een eenzame marmergrutto zich vaak bij willets of regenwulpen en is dan te herkennen aan de lange, opgewipte snavel met roze basis.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. De populatie gaat achteruit door het verlies van prairie en moerassen in het broedgebied, en de soort is in de winter afhankelijk van een klein aantal grote wadgebieden, waarvan de lagunes van Baja California de belangrijkste zijn. Verstoring en de ontwikkeling van kustgebieden vormen daar een bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Limosa fedoa | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Scolopax Fedoa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Limosa werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Limosa is Latijn voor 'modderig', van limus 'modder'. fedoa is mogelijk een Oudengelse naam voor een grutto, al in 1544 door William Turner genoemd; de herkomst is verder onbekend. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hudsonbaai, Canada.