Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Rode grutto
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae
Rode grutto | Limosa haemastica
Hudsonian Godwit | Aguja café
De rode grutto maakt een van de langste trektochten van alle steltlopers, tussen het noorden van Canada en Alaska en het uiterste zuiden van Zuid-Amerika. In het najaar vliegen de meeste vogels non-stop over de Atlantische Oceaan, zodat het gidsgebied buiten de route valt. In het voorjaar trekken ze over Midden-Amerika en de Golf van Mexico naar het noorden, en dan wordt de soort hier het vaakst gezien, maar altijd in klein aantal.
Geluid
Op de trek meestal stil; soms een hoog, piepend kwie-wit of god-wit.
Opname: Avery Bartels — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
37–42 cm, met een lange, licht opgewipte snavel, roze aan de basis en donker aan de punt. In voorjaarskleed is het mannetje donker kastanjerood op de onderdelen, fijn zwart gebandeerd, met een grijze kop en hals en donkere bovendelen; het vrouwtje is groter en bleker, met meer wit op de onderdelen. In winterkleed effen grijs boven en lichtgrijs onder, met een witte wenkbrauwstreep. In elk kleed in de vlucht kenmerkend: een smalle witte vleugelstreep, zwarte ondervleugeldekveren en een witte stuit met een zwarte staart.
Verwarringssoorten
De marmergrutto Limosa fedoa is groter en kaneelbruin, zonder witte vleugelstreep en zonder witte stuit, met een kaneelrode ondervleugel. De willet Tringa semipalmata heeft een kortere, rechte snavel en een brede, zwart-witte vleugeltekening. De grijze snippen Limnodromus zijn kleiner, met een rechte snavel en een witte wig op de rug in plaats van een witte stuit met zwarte staart.
Leefgebied
Ondiepe zoete en brakke lagunes, overstroomde weilanden, rijstvelden en de randen van moerassen, ook wadplaten en zoutpannen aan de kust. Zoekt met de lange snavel in ondiep water en zacht slik naar wormen, insectenlarven en kleine schelpdieren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Schaarse doortrekker door het gidsgebied, met de meeste waarnemingen in het voorjaar langs de Golfkust van Mexico en op het schiereiland Yucatán; verder verspreide gevallen in Guatemala, Belize, El Salvador, Honduras, Nicaragua, Costa Rica en Panama. In het najaar zeldzamer. Buiten het gidsgebied broedt de soort rond de Hudsonbaai, in het noordwesten van Canada en in Alaska en overwintert ze in het zuiden van Chili en Argentinië.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ondergelopen rijstvelden en ondiepe lagunes langs de Golfkust in april en mei zijn de beste kans. In de vlucht maken de witte stuit met zwarte staart en de zwarte ondervleugel de soort direct herkenbaar.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar. De populatie gaat achteruit; een groot deel van de vogels gebruikt maar een paar rustgebieden op de trekroute en in het overwinteringsgebied, wat de soort gevoelig maakt voor verlies van die gebieden. Ook veranderingen in het broedgebied door klimaatverandering vormen een bedreiging.
Wetenschappelijke naam
Limosa haemastica | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Scolopax Haemastica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Limosa werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Limosa is Latijn voor 'modderig', van limus 'modder'. haemastica komt van het Griekse haimatikos, 'bloedrood' — naar de diep roodbruine onderdelen in het broedkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hudsonbaai, Canada.



