Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Noordse stormvogel
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Water- en moerasvogels Aequornithes
Noordse stormvogel | Fulmarus glacialis
Northern Fulmar | Fulmar boreal
De noordse stormvogel is een gedrongen stormvogel van de koude noordelijke oceanen, die op het eerste gezicht op een meeuw lijkt. Het gidsgebied ligt aan de zuidrand van het winterareaal van de populatie uit het noorden van de Stille Oceaan. Het aantal dat Baja California bereikt, wisselt sterk: in sommige winters trekken grote aantallen zuidwaarts, vaak in slechte conditie, in andere komen er vrijwel geen.
Geluid
Op zee meestal stil. Bij voedsel, bijvoorbeeld achter vissersboten, kakelende en grommende geluiden.
Opname: Roland Arnison — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
45–50 cm, gedrongen, met een dikke nek, een rond hoofd en een korte, dikke snavel met een duidelijke neusbuis op de bovensnavel. De snavel is geelachtig, vaak met een groenige of donkere punt. Het verenkleed varieert sterk: lichte vogels hebben een witte kop en onderzijde en een grijze mantel en vleugels, donkere vogels zijn egaal donker loodgrijs. In het noorden van de Stille Oceaan komen alle overgangen voor en zijn middelgrijze en donkere vogels gewoon. De staart is kort en grijs. Vliegt met stijve, rechte vleugels en reeksen snelle, ondiepe slagen, afgewisseld met glijvluchten laag over het water.
Verwarringssoorten
Meeuwen, zoals de pacifische mantelmeeuw Larus occidentalis, hebben een langere nek, een snavel zonder neusbuis en een soepeler vleugelslag met gebogen vleugels. Donkere vogels lijken op de grauwe pijlstormvogel Ardenna grisea, maar die heeft een lange, dunne, donkere snavel, een zilverige baan op de ondervleugel en langere, smallere vleugels. De chileense grote pijlstormvogel Ardenna creatopus heeft een lange roze snavel met een donkere punt en een slanker postuur.
Leefgebied
Open zee en het continentaal plat, vaak waar koud, voedselrijk water opwelt. Pakt vis, inktvis, kreeftachtigen en visafval van het wateroppervlak en verzamelt zich achter vissersboten. In slechte jaren komen verzwakte vogels in baaien en aan de kust terecht.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Vooral voor de Pacifische kust van Baja California, in sterk wisselende aantallen. In de Golf van Californië en verder zuidelijk langs de westkust van Mexico zeldzaam; van verder naar het zuiden en van de Golfkust zijn er slechts losse gevallen. Buiten het gidsgebied broedt de soort op kliffen en eilanden in het noorden van de Atlantische en de Stille Oceaan en in de aangrenzende arctische zeeën, en overwintert ze op zee tot voor Californië en de Golf van Biskaje.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Pelagische tochten voor Baja California in de winter bieden de meeste kans, vooral in winters waarin langs de kust van Californië veel vogels worden gezien. Het gedrongen postuur, de dikke gele snavel en de stijve vleugelslag onderscheiden de soort van meeuwen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De wereldpopulatie telt vele miljoenen vogels. In delen van het areaal zijn de aantallen afgenomen, onder meer door bijvangst in de visserij en het inslikken van plastic; in warme jaren sterven op zee soms grote aantallen door voedselgebrek. In het gidsgebied een onregelmatige wintergast.
Wetenschappelijke naam
Fulmarus glacialis | (Linnaeus, 1761)
Linnaeus beschreef de soort in 1761 als Procellaria glacialis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Fulmarus werd in 1826 ingevoerd door Stephens. Fulmarus gaat terug op het Oudnoorse fúlmár 'vuile meeuw', naar de gewoonte van deze vogels een stinkende olie uit te braken. glacialis is Latijn voor 'ijzig', naar de koude noordelijke zeeën waar de vogel broedt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit ten noorden van de poolcirkel.

