Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Okerbuikpipratiran

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Okerbuikpipratiran | Mionectes oleagineus

Ochre-bellied Flycatcher | Mosquero ocrillo

De okerbuikpipratiran is een slanke, onopvallende tiran van de onderste en middelste lagen van vochtig bos, olijfgroen van boven en okerkleurig van onder. Hij eet vooral kleine vruchten en zaadmantels en heeft de gewoonte om telkens één vleugel kort op te tillen. In het gidsgebied leeft hij van het zuiden van Mexico tot Panama.

Okerbuikpipratiran (Mionectes oleagineus)
Foto: Mike & Chris — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Mannetjes zingen in de broedtijd lange tijd vanaf een vaste zangplek in het lage bos: een reeks scherpe tsjip-tonen, afgewisseld met een nasaal, herhaald tsjie-a. Verder korte, droge roepen.

Luister: ZangXC776817

Opname: Mateus Gonçalves Santos — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13 cm, met een kleine, ronde kop en een smalle, donkere snavel met een lichtere basis van de ondersnavel. Kop, rug en staart olijfgroen; de vleugels donkerder met vage okerbeige randen aan dekveren en tertials. Keel grijzig olijf, borst olijf met een okerkleurige waas, buik helder oker- tot kaneelbeige. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De olijfstreeppipratiran Mionectes olivaceus van bergbos in Costa Rica en Panama heeft fijn gestreepte, geelachtige onderdelen en een lichte vlek achter het oog. De bruinkapleptopogon Leptopogon amaurocephalus en de grijskruinleptopogon Leptopogon superciliaris hebben een donkere vlek op de oorstreek en duidelijke vleugelstrepen. De roodstaarttiran Terenotriccus erythrurus is kleiner, met een roodbruine staart en vleugels. Vrouwtjes van manakins zijn gedrongener en missen de okerkleurige buik.

Leefgebied

Onderste en middelste lagen van vochtig altijdgroen bos, bosranden, oud secundair bos en galerijbos, van het laagland tot ongeveer 1200 m, plaatselijk hoger. Eet vooral kleine bessen en zaadmantels, die hij in de vlucht of vanaf een tak plukt, en daarnaast insecten. Mannetjes baltsen elk op een eigen zangplek; het vrouwtje bouwt een peervormig, hangend nest van mos, vaak aan een wortel of lian boven een beek of bij een oever, en zorgt alleen voor de jongen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Van het zuiden van Mexico door Belize, Guatemala, El Salvador, Honduras, Nicaragua en Costa Rica tot Panama; in het noorden van het gidsgebied vooral aan de Caribische kant. Buiten het gidsgebied in een groot deel van tropisch Zuid-Amerika, tot in het Amazonegebied, het oosten van Brazilië en op Trinidad en Tobago.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Algemeen in bosgebieden als La Selva in Costa Rica en langs de Camino del Oleoducto (Pipeline Road) in Panama. Het afwisselend opheffen van één vleugel en het foerageren bij vruchtdragende struiken in het lage bos verraden de soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Wijdverbreid en in geschikt bos algemeen; verdwijnt waar het bos volledig wordt gekapt, maar houdt zich in secundair bos en bosranden.

Wetenschappelijke naam

Mionectes oleagineus | (Lichtenstein, 1823)

Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als M[uscicapa] oleaginea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Mionectes werd in 1844 ingevoerd door Cabanis. Mionectes is Grieks meionektēs 'klein, tekortgedaan', van meionekteō 'te weinig hebben'. oleagineus is Latijn voor 'olijfkleurig, van de olijfboom', van olea 'olijfboom', naar de olijfgroene bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bahia, Brazilië.