Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Oostelijke bospiewie
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Oostelijke bospiewie | Contopus virens
Eastern Wood Pewee | Pibí oriental
De oostelijke bospiewie is een kleine, grijsolijf gekleurde piewie die in het oosten van Noord-Amerika broedt en in het voor- en najaar door het gidsgebied trekt, op weg naar en van Zuid-Amerika. Hij lijkt sterk op de westelijke bospiewie en is daarvan alleen betrouwbaar op zang te onderscheiden.
Geluid
De zang is een helder, langgerekt fluitend pie-a-wie, gevolgd door een dalend pie-joe; tijdens de voorjaarstrek soms te horen. Roept met een droog tsjip en een opgaand tsjuwiet.
Opname: Rory Nefdt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15–16 cm, met een licht gepiekte kruin, lange vleugels die ver voorbij de bovenste staartdekveren reiken en een vrij lange staart. Bovendelen grijsolijf, iets groener dan bij de westelijke bospiewie. Borstzijden grijsolijf, keel en midden van borst en buik vaalwit, soms geelachtig getint. Twee duidelijke, vaalwitte vleugelstrepen. Ondersnavel meestal grotendeels oranjegeel met een donkere punt. Geen oogring. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De westelijke bospiewie Contopus sordidulus is donkerder en grijzer, met een donkerder borst en meestal een grotendeels donkere ondersnavel; zwijgende vogels zijn vaak niet met zekerheid te onderscheiden. De noordelijke spix' piewie Contopus bogotensis heeft kortere vleugels en een lichte teugel. De feetirans (Empidonax) hebben kortere vleugels, vaak een oogring en bewegen veel met staart en vleugels. De sparrenpiewie Contopus cooperi is groter en gedrongener, met een donker vest en een witte middenstreep.
Leefgebied
Tijdens de trek in vochtig en halfvochtig bos, vooral in de middelste en hogere lagen, aan bosranden, open plekken, in secundair bos, galerijbos, schaduwkoffie en tuinen met hoge bomen, vooral in het laagland en de voetheuvels. Zit op een open tak in de schaduw en vliegt van daaruit insecten achterna.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Doortrekker door het grootste deel van het gidsgebied, vooral aan de Golf- en Caribische kant van Mexico, op het schiereiland Yucatán en door Midden-Amerika tot Panama; in het westen en noordwesten van Mexico zeldzaam. In het voorjaar vooral in april en mei, in het najaar van september tot begin november. In de winter vrijwel afwezig. Buiten het gidsgebied broedend in het oosten van Noord-Amerika, van het zuiden van Canada tot de Golf van Mexico; overwintert vooral in het noordwesten van Zuid-Amerika.
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In het najaar vaak in bosranden en open bos in het laagland van het schiereiland Yucatán, Belize en Costa Rica; let op het opgaande tsjuwiet, dat bij zwijgende vogels het onderscheid met de westelijke bospiewie kan geven.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, maar de aantallen in Noord-Amerika zijn in de afgelopen decennia afgenomen. In het gidsgebied een regelmatige doortrekker.
Wetenschappelijke naam
Contopus virens | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als [Muscicapa] virens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Contopus werd in 1855 ingevoerd door Cabanis. Contopus is Grieks, van kontos 'paal, schacht' en pous 'voet', naar de korte poten. virens is Latijn voor 'groen', naar de olijfgroene tint van de bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Carolina (VS).





