Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Oranjekruinzanger

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Oranjekruinzanger | Leiothlypis celata

Orange-crowned Warbler | Chipe corona naranja

De oranjekruinzanger is een kleine, vaal olijfgroene zanger zonder duidelijke tekening. Hij broedt in een groot deel van Noord-Amerika en is in de winter een van de gewoonste zangers in struikgewas en tuinen van het noorden en midden van Mexico. De oranje kruinvlek waaraan hij zijn naam dankt, is zelden te zien.

Oranjekruinzanger (Leiothlypis celata)
Foto: Becky Matsubara from El Sobrante, California — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een losse, iets onregelmatige triller die aan het einde zachter wordt of in toonhoogte daalt. De roep is een scherp, metaalachtig tsjet.

Luister: ZangXC1134051

Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm. Bovendelen grijsachtig olijfgroen, onderdelen geelachtig olijf met vage, wazige streepjes op de borst. Smalle donkere oogstreep, met een korte, lichte wenkbrauwstreep en een gebroken lichte oogring. Onderstaartdekveren geel. Geen vleugelstrepen. De oranje kruinvlek is meestal verborgen. Vogels uit het westen van Noord-Amerika en Baja California zijn geler; vogels uit het oosten en noorden grijzer, met een grijze kop. Snavel dun en spits.

Verwarrings­soorten

De tennesseezanger Leiothlypis peregrina is helderder groen, met een duidelijker wenkbrauwstreep, een kortere staart en witte onderstaartdekveren. De nashvillezanger Leiothlypis ruficapilla heeft een grijze kop met een volledige witte oogring en een egaal gele keel. Het vrouwtje van de wilsons zanger Cardellina pusilla is geler, met een lichte wenkbrauwstreep en een langere staart.

Leefgebied

In de winter struikgewas, chaparral, oeverbos, struweel in droge streken, randen van eiken- en pijn-eikenbos, tuinen en parken, vooral in laagland en middelhoge zones. Broedt in dicht struweel en op beboste hellingen. Zoekt in het blad naar insecten, ook in dorre bladtrossen, en eet nectar, sap en bessen.

Verspreiding en trek

Broedt in Alaska, Canada en het westen van de Verenigde Staten, en in het gidsgebied in het noordwesten van Baja California en op de eilanden voor de kust. Overwintert van het zuiden van de Verenigde Staten door het noorden en midden van Mexico tot Oaxaca en Chiapas, in klein aantal tot Guatemala; verder zuidelijk zeldzaam.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter vaak te zien in struikgewas en tuinen op de Mexicaanse hoogvlakte en in Baja California. De scherpe tsjet-roep verraadt hem in dicht struikgewas.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Wijdverbreid en algemeen; de aantallen zijn op lange termijn vrij stabiel.

Wetenschappelijke naam

Leiothlypis celata | (Say, 1822)

Say beschreef de soort in 1822 als Sylvia celatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leiothlypis werd in 2008 ingevoerd door Sangster. Leiothlypis is Grieks, van leios 'effen, glad' en thlypis, bij Aristoteles de naam van een onbekend klein vogeltje. celata is Latijn voor 'verborgen', naar de oranje kruinvlek die meestal onder de groene veren schuilgaat. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Omaha, Nebraska (VS).