Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Poorwill
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores
Poorwill | Phalaenoptilus nuttallii
Common Poorwill | Tapacamino tevíi
De poorwill is de kleinste nachtzwaluw van Noord-Amerika, een grijze, gedrongen vogel van droge, rotsige streken met struweel. In het gidsgebied leeft hij in het noorden en midden van Mexico, van Baja California tot de centrale hoogvlakte. De soort is bekend omdat zij bij kou en voedselgebrek dagen tot weken in een diepe rusttoestand kan gaan, iets wat bij vogels zeldzaam is.
Geluid
De zang is een herhaald, fluitend poor-wil, waar de soort haar naam aan dankt; van dichtbij is vaak een zachte derde toon te horen, poor-wil-oep. Zingt vooral in de schemering en bij maanlicht, in het broedseizoen het meest. Bij het opvliegen soms een zacht, kort roepje.
Opname: Gregory Askew — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
18–21 cm. Een kleine nachtzwaluw met een grote, ronde kop, korte, afgeronde vleugels en een korte, afgeronde staart. Het verenkleed is zilvergrijs tot bruingrijs, fijn gemarmerd met zwart; de kruin en mantel zijn zilverachtig bestoven. De keel is zwart met daaronder een brede witte band; de borst is donker. De buitenste staartpennen hebben bij het mannetje brede witte hoeken, bij het vrouwtje smallere en meer geelbruine. In vlucht oogt de vogel kort en rond, met korte vleugels zonder witte band, en vliegt hij laag en fladderend als een grote mot.
Verwarringssoorten
De Mexicaanse whippoorwill Antrostomus arizonae en ridgways whippoorwill Antrostomus ridgwayi zijn groter en bruiner, met een veel langere staart; ridgways whippoorwill heeft een geelbruine nekband. De texasnachtzwaluw Chordeiles acutipennis heeft lange, spitse vleugels met een lichte band en jaagt in vlucht. De Mexicaanse poorwill Nyctiphrynus mcleodii is warmer roodbruin, met kleine oorpluimen, en leeft in pijn-eikenbos in het westen van Mexico. De pauraque Nyctidromus albicollis is groter en langstaartiger en heeft bij het mannetje een witte vleugelband.
Leefgebied
Droge, open landschappen met struweel en rotsen: woestijnstruweel, cactusbos, halfwoestijngrasland met verspreide struiken, chaparral, droge hellingen met eiken en jeneverbes en rotsige ravijnen; van zeeniveau tot ongeveer 2500 m. Zit 's nachts op onverharde wegen, paden en rotsen en vliegt vanaf de grond op langsvliegende insecten. Legt de eieren zonder nest op de kale grond, vaak onder een struik of naast een rots.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied in heel Baja California, in Sonora en verder over de noordelijke staten en de centrale hoogvlakte van Chihuahua, Coahuila, Nuevo León en Durango zuidwaarts tot Zacatecas, San Luis Potosí, Aguascalientes, Jalisco, Guanajuato, Querétaro, Hidalgo en de staat México; enkele meldingen nog zuidelijker. In het zuiden van Baja California leeft de ondersoort P. n. dickeyi. Buiten het gidsgebied in het westen van de Verenigde Staten en het zuidwesten van Canada; de noordelijke vogels trekken in de winter weg, deels tot in het noorden van Mexico.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
's Nachts langzaam rijden over onverharde wegen in woestijn en struweel geeft de beste kans, bijvoorbeeld in Baja California Sur, Sonora en de omgeving van Monterrey en Saltillo. Het oog licht in het lamplicht oranjerood op. In het voorjaar en de zomer verraadt de zang de vogel in de schemering.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. In het gidsgebied plaatselijk algemeen in droge streken. Veel vogels komen 's nachts op wegen om in het verkeer; verlies van natuurlijk struweel door landbouw en bebouwing speelt plaatselijk een rol.
Wetenschappelijke naam
Phalaenoptilus nuttallii | (Audubon, 1844)
Audubon beschreef de soort in 1844 als Caprimulgus Nuttallii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phalaenoptilus werd in 1880 ingevoerd door Ridgway. Phalaenoptilus is Grieks, van phalaina 'mot' en ptilon 'veer', naar het zachte, motachtige verenkleed. nuttallii eert de Engelse botanicus en ornitholoog Thomas Nuttall (1786–1859). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Boven-Missouri tussen Fort Pierre en de monding van de Cheyenne, South Dakota.






