Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Purpergors

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Purpergors | Passerina ciris

Painted Bunting | Colorín sietecolores

De purpergors is een Passerina-gors waarvan het mannetje een blauwe kop, een groene rug en een rode onderkant heeft; het vrouwtje is egaal groen. Hij broedt in het zuiden van de Verenigde Staten en het noorden van Mexico en overwintert van Mexico tot Panama, in Florida en op Cuba en de Bahama's. In het gidsgebied is hij vooral een wintergast van zaadrijk struikgewas en bosranden.

Purpergors (Passerina ciris)
Foto: Dakota L. — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een lang aangehouden, vrij hoog en melodieus gekwetter van korte, snel opeenvolgende fluitende noten, wat vlakker van toon dan die van de indigogors. De roep is een scherp, metalig tsjip of pwitsj.

Luister: ZangXC1087845

Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–14 cm. Kleine gors met een korte, kegelvormige snavel. Het volwassen mannetje heeft een blauwpaarse kop met een rode oogring, een geelgroene mantel, een rode stuit en een rode keel en onderkant; vleugels en staart donker met rode en groene randen. Het vrouwtje is van boven egaal heldergroen en van onderen geelgroen, met een smalle lichte oogring en geen strepen of vleugelstrepen. Het mannetje in zijn eerste jaar lijkt op het vrouwtje, soms met enkele blauwe of rode veren.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje van de regenbooggors Passerina leclancherii (Pacifische kant van het zuidwesten van Mexico) heeft een blauwige zweem op stuit en staart en een zuiverder gele onderkant. Vrouwtjes van de indigogors Passerina cyanea, de lazuligors Passerina amoena en de veelkleurengors Passerina versicolor zijn bruin of grijsbruin en missen het groen. Groene vireo's en zangers hebben een dunne snavel.

Leefgebied

Broedt in struikgewas langs rivieren, doornstruweel, bosranden en verwilderde velden. In de winter in ruige, zaadrijke vegetatie: bosranden, secundair struikgewas, rietachtige grasvelden, akkerranden en tuinen, vooral in het laagland tot ongeveer 1500 m. Leeft verscholen laag in de vegetatie en eet vooral zaden, in de broedtijd ook insecten.

Verspreiding en trek

Broedt in het zuiden van de Verenigde Staten (een westelijke populatie van Texas tot Oklahoma, Louisiana en Arkansas en een oostelijke langs de Atlantische kust) en in het noorden van Mexico, zuidwaarts tot in Chihuahua, Coahuila, Nuevo León en Tamaulipas. Overwintert van Sinaloa en het zuiden van Tamaulipas door heel Mexico en Midden-Amerika tot in het westen van Panama, en in het zuiden van Florida, op Cuba en op de Bahama's. Na het broeden ruit een deel van de westelijke vogels in het noordwesten van Mexico voordat het verder trekt.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter te vinden in ruige, zaadrijke vegetatie langs bosranden en wegen in het laagland, bijvoorbeeld op het schiereiland Yucatán; vaak in gezelschap van indigogorzen. Komt in tuinen af op voederplekken met zaden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Wijdverbreid, maar de aantallen in het oostelijke deel van het broedgebied zijn afgenomen; in Mexico en Midden-Amerika worden veel vogels gevangen voor de kooivogelhandel.

Wetenschappelijke naam

Passerina ciris | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Emberiza ciris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passerina werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Passerina komt van het Latijnse passerinus 'musachtig', bij passer 'mus'. ciris is de Latijnse naam van een mythische vogel, van het Griekse keiris, een niet te identificeren vogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.