Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Rivoli's kolibrie

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores

Rivoli's kolibrie | Eugenes fulgens

Rivoli's Hummingbird | Colibrí magnífico

Rivoli's kolibrie is een grote kolibrie van de pijn-eikenbossen van Mexico en het noorden van Midden-Amerika, en broedt noordelijk tot in het zuidwesten van de Verenigde Staten. Tot 2017 gold hij samen met de talamancakolibrie als één soort. Het mannetje lijkt bij zwak licht helemaal zwart, tot de paarse kruin en de groene keel oplichten.

Rivoli's kolibrie (Eugenes fulgens)
Foto: Bettina Arrigoni — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een scherp, droog tsjip of tsjik, en bij achtervolgingen een droog, ratelend gekwetter.

Luister: ZangXC605363

Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm, met een lange, rechte zwarte snavel. Het mannetje is donkergroen, met een glanzend violetpaarse kruin, een glanzend smaragdgroene keel, een zwartachtige borst en buik, een witte vlek achter het oog en een bronsgroene staart. Het vrouwtje is groen van boven, met een witte streep achter het oog, grijze, licht gevlekte onderdelen en een groene staart met grijswitte toppen aan de buitenste pennen.

Verwarrings­soorten

De blauwkeeljuweelkolibrie Lampornis clemenciae is even groot, maar heeft een kortere snavel, een witte baardstreep en grote witte staarthoeken; het mannetje heeft een blauwe keel. De talamancakolibrie Eugenes spectabilis leeft alleen in Costa Rica en Panama, is iets groter en het mannetje heeft een meer blauwgroene keel. Vrouwtjes van de smukkolibrie Lamprolaima rhami hebben roestbruine vleugels.

Leefgebied

Pijn-eikenbos, eikenbos, dennen- en zilversparrenbos en nevelwoud in de bergen, vooral in open delen, aan bosranden en in kloven, ongeveer tussen 1500 en 3300 m. Foerageert bij bloeiende struiken, agaven en salvia's, vangt veel insecten in de vlucht en komt bij voederplekken in tuinen. In de winter dalen vogels deels af naar lagere hoogten.

Verspreiding en trek

In de bergen van Mexico: de Sierra Madre Occidental vanaf Sonora en Chihuahua, de Sierra Madre Oriental vanaf Coahuila en Nuevo León, het Transmexicaans vulkanisch gebergte, de Sierra Madre del Sur en de hooglanden van Chiapas; verder in de hooglanden van Guatemala, El Salvador, Honduras en het noorden van Nicaragua. Buiten het gidsgebied broedt de soort in het zuidoosten van Arizona, het zuidwesten van New Mexico en het westen van Texas; die vogels overwinteren grotendeels in Mexico.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het pijn-eikenbos rond San Cristóbal de las Casas in Chiapas, op de hellingen van de Nevado de Colima en in de bergen van Durango; in Guatemala in de hooglanden rond Quetzaltenango. Vaak bij voederplekken en bloeiende salvia's aan bosranden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In geschikt bergbos vrij algemeen. Het verspreidingsgebied is groot.

Wetenschappelijke naam

Eugenes fulgens | (Swainson, 1827)

Swainson beschreef de soort in 1827 als Trochilus fulgens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eugenes werd in 1856 ingevoerd door Gould. Eugenes is Grieks, van eugenēs 'welgeboren, edel', naar de statige verschijning van deze grote kolibrie. fulgens is Latijn voor 'schitterend, glanzend', naar de fonkelende kruin en keel van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Temascaltepec, Mexico.