Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Roestflankzanger
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Roestflankzanger | Setophaga pensylvanica
Chestnut-sided Warbler | Chipe flancos castaños
De roestflankzanger broedt in jonge loofbossen en struikgewas in het oosten van Noord-Amerika en overwintert in Midden-Amerika. In het gidsgebied is hij een van de algemeenste wintergasten in vochtig bos van het zuiden van Mexico tot Panama. Het winterkleed, heldergroen van boven en grijswit van onder, wijkt sterk af van het prachtkleed.
Geluid
De zang is een heldere, fluitende reeks die eindigt met een nadrukkelijke, dalende slotnoot, vaak weergegeven als pleased pleased pleased to MEET you; in het gidsgebied vooral vanaf maart te horen. In de winter vooral een scherp tsjip en een zachter, nasaal tsjep.
Opname: Mario Reyes Jr — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
11–13 cm. Het mannetje in prachtkleed heeft een gele kruin, een zwarte oogstreep en baardstreep op een witte wang, een groen-zwart gestreepte rug, gele vleugelstrepen en witte onderdelen met een brede kastanjebruine streep langs de flanken; het vrouwtje heeft minder zwart en kastanjebruin. In winterkleed, zoals meestal in het gidsgebied: heldere geelgroene kruin en bovenzijde, een grijze kop met een witte oogring, twee geelachtige vleugelstrepen en grijswitte onderdelen; volwassen vogels vaak met wat kastanjebruin op de flanken. Houdt de staart vaak schuin opgestoken en de vleugels iets hangend.
Verwarringssoorten
De kastanjezanger Setophaga castanea heeft in winterkleed een olijfgroene, vaag gestreepte rug, witte vleugelstrepen en okerkleurige onderdelen, zonder witte oogring in een grijze kop. Mannetjes in prachtkleed van de kastanjezanger hebben een kastanjebruine keel en kruin, terwijl de roestflankzanger een witte keel en gele kruin heeft.
Leefgebied
In de winter vochtig laaglandbos en voetheuvelbos, vooral bosranden, open plekken, secundair bos en schaduwkoffie; meestal beneden 1500 m, minder hoog in bergbos. Zoekt op middelhoogte onder de bladeren naar insecten en eet ook bessen. Overwintert vaak op een vaste plek en sluit zich daar aan bij gemengde groepen; verdedigt in de winter soms een eigen territorium.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt in het zuidoosten van Canada en het noordoosten en midden-oosten van de Verenigde Staten, zuidwaarts in de Appalachen. Overwintert van het zuiden van Mexico (vanaf Veracruz en Oaxaca) door Midden-Amerika tot Panama, vooral aan de Caribische kant; schaars tot in het noordwesten van Colombia. Op doortrek ook elders in het oosten van Mexico en op het schiereiland Yucatán.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter geregeld te zien in gemengde groepen in bosranden en tuinen in het laagland aan de Caribische kant, onder meer bij La Selva in Costa Rica en langs de Camino del Oleoducto (Pipeline Road) in Panama.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). De soort heeft geprofiteerd van het ontstaan van jong bos en struikgewas na houtkap in Noord-Amerika; sinds de jaren zestig zijn de aantallen geleidelijk afgenomen.
Wetenschappelijke naam
Setophaga pensylvanica | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla pensylvanica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. pensylvanica verwijst naar Pennsylvania, waar de typelocatie ligt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit omgeving van Philadelphia, Pennsylvania, Verenigde Staten.





