Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Roodkeelpieper
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Roodkeelpieper | Anthus cervinus
Red-throated Pipit | Bisbita gorgirrojo
De roodkeelpieper is een pieper van de arctische toendra van Eurazië en het westen van Alaska, die normaal in Afrika en Zuid- en Zuidoost-Azië overwintert. Een klein aantal vogels trekt in de herfst langs de Pacifische kust van Noord-Amerika naar het zuiden. In het gidsgebied is hij een dwaalgast, vrijwel alleen in Baja California.
Geluid
De roep is een lang, dun en uitgerekt psieee, vaak in de vlucht gegeven en verraadt de vogel meestal eerder dan het verenkleed. De zang, een gevarieerde, rinkelende reeks in een zangvlucht, is buiten het broedgebied niet te horen.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
14–15 cm. Een stevige, sterk gestreepte pieper met een dunne snavel en lichte, roze poten. In de herfst zijn de bovendelen bruin met zware zwarte strepen en twee lichte lengtestrepen op de rug; ook de stuit is duidelijk gestreept. Onderdelen wittig tot okerkleurig met zware, zwarte strepen op borst en flanken. Volwassen vogels hebben ook in de herfst vaak nog een steenrode tot roze keel, wenkbrauwstreep en bovenborst; jonge vogels missen die kleur. De seksen lijken op elkaar; het vrouwtje heeft gemiddeld minder rood.
Verwarringssoorten
De pacifische waterpieper Anthus rubescens, waarmee hij vaak samen gezien wordt, heeft een egaler grijsbruine, nauwelijks gestreepte rug en stuit, donkere poten en fijnere strepen op de onderdelen. De prairiepieper Anthus spragueii heeft een bleek, effen gezicht, een geschubde rug en een ongestreepte stuit. De roep is het beste kenmerk: lang en dun, heel anders dan het korte pie-piet van de pacifische waterpieper.
Leefgebied
In de trektijd geïrrigeerde akkers, grasvelden, sportvelden, natte weiden en de randen van ondiepe wateren, vaak in gezelschap van pacifische waterpiepers. Zoekt lopend naar insecten op kort gras en natte grond.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt op de toendra van Noord-Scandinavië tot Noordoost-Siberië en in het westen van Alaska. Overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara en in Zuid- en Zuidoost-Azië. Een klein aantal trekt in de herfst langs de westkust van Noord-Amerika. In het gidsgebied een dwaalgast, vrijwel alleen in Baja California en Baja California Sur; daarbuiten zeer zeldzaam (onder meer Oaxaca, Sonora en Guatemala).
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de herfst de grootste kans bij geïrrigeerde velden en grasvelden in het noorden van Baja California en in de Kaapregio van Baja California Sur, door groepen pacifische waterpiepers na te lopen en op de lange, dunne roep te letten.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Wijdverbreid en talrijk in het broedgebied; in het gidsgebied een zeldzame dwaalgast.
Wetenschappelijke naam
Anthus cervinus | (Pallas, 1811)
Pallas beschreef de soort in 1811 als Motacilla cervina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is het Latijnse woord voor een klein vogeltje van graslanden dat Plinius de Oudere noemt. cervinus is Latijn voor 'hertkleurig', van cervus 'hert', naar de roodbruine keel van de broedvogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Kolyma in Siberië.


