Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Pacifische waterpieper
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Pacifische waterpieper | Anthus rubescens
American Pipit | Bisbita norteamericano
De pacifische waterpieper is een slanke, grijsbruine pieper die voortdurend met de staart wipt. Hij broedt op de toendra en in het hooggebergte van Noord-Amerika en Noordoost-Siberië en is in de winter een algemene gast in open terrein in een groot deel van Mexico. Vroeger werd hij samen met de waterpieper Anthus spinoletta van Eurazië als één soort behandeld.
Geluid
De roep, vaak in de vlucht en bij het opvliegen, is een scherp pie-piet of tsjie-tsjiep, soms enkelvoudig. De zang, een snelle reeks gelijke tonen in een zangvlucht, is in het gidsgebied zelden te horen.
Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15–17 cm. Slank, met een dunne, spitse snavel, donkere poten en een vrij lange staart met witte buitenste staartpennen. In winterkleed bovendelen grijsbruin met vage strepen, onderdelen bleek geelbruin met donkere strepen op borst en flanken. Een lichte wenkbrauwstreep, een lichte oogring en een donkere baardstreep tekenen de kop; twee smalle lichte vleugelstrepen. In broedkleed, dat in het voorjaar bij late vogels te zien is, zijn de bovendelen grijzer en de onderdelen warmer okerkleurig en zwakker gestreept. Wipt vrijwel voortdurend met de staart.
Verwarringssoorten
De prairiepieper Anthus spragueii is lichter en geschubd van boven, heeft een bleek, effen gezicht, lichte roze poten, wipt niet met de staart en leeft alleen in natuurlijk grasland. De roodkeelpieper Anthus cervinus, een dwaalgast, is sterker gestreept van boven, ook op de stuit, en heeft lichte poten. De savannahgors Passerculus sandwichensis leeft ook in open terrein en is gestreept, maar heeft een korte kegelsnavel en wipt niet met de staart. De strandleeuwerik Eremophila alpestris loopt ook over kale velden, maar heeft een zwart-geel gezichtspatroon en een zwarte staart.
Leefgebied
In de winter open terrein met kale grond of kort gras: oevers van meren en stuwmeren, slikken, kwelders, natte weiden, akkers en braakliggende velden, ook kort gras in het hooggebergte. Leeft vaak in losse groepen. Loopt over de grond en zoekt insecten en zaden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt op de toendra en in het hooggebergte van Alaska, Canada, de Rocky Mountains en Noordoost-Siberië. Overwintert in het zuiden van de Verenigde Staten en in Mexico. In het gidsgebied wijdverbreid in de winter van Baja California en het noorden van Mexico zuidelijk tot Oaxaca en Chiapas; schaars in Guatemala en El Salvador en zeldzaam verder zuidelijk tot in Costa Rica.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter te vinden langs meren en op velden rond Mexico-Stad, in de landbouwgebieden van Baja California en langs stuwmeren in Nuevo León en Coahuila. Groepen vallen op door de scherpe roep bij het opvliegen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Algemeen en wijdverbreid; in het gidsgebied een talrijke wintergast.
Wetenschappelijke naam
Anthus rubescens | (Tunstall, 1771)
Tunstall beschreef de soort in 1771 als Alauda Rubescens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is het Latijnse woord voor een klein vogeltje van graslanden dat Plinius de Oudere noemt. rubescens is Latijn voor 'roodachtig', van ruber 'rood'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pennsylvania.






